Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het ten aanzien van feit 1 gevoerde verweer, inhoudende dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de bij hem aangetroffen tas heeft gestolen van de aangeefster omdat de verdachte heeft verklaard dat hij de tas heeft gevonden, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. Volgens de steller van het middel is het hof onvoldoende gemotiveerd tot een bewezenverklaring van feit 1 gekomen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het ten aanzien van feit 3 gevoerde verweer, inhoudende dat art. 67, eerste lid, onder c, (oud) Vreemdelingenwet 2000 niet meer van toepassing was op de verdachte en dat art. 67 (oud) Vreemdelingenwet 2000 op 24 april 2011 niet voldeed aan de criteria van de Terugkeerrichtlijn [2] , zodat de ongewenstverklaring op basis van dit artikel niet kan dienen als grondslag voor een veroordeling ter zake van art. 197 Sr Pro, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.
derde middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd een beslissing te nemen op het door de verdediging uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de redelijke termijn is overschreden.