Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem over de toepassing van de terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG) en de interpretatie van de maximale duur van een inreisverbod of ongewenstverklaring.
De Hoge Raad heeft in deze uitspraak van 4 november 2014 het beroep verworpen en ambtshalve het oordeel bevestigd dat de vijfjaarstermijn waarbinnen een inreisverbod of ongewenstverklaring geldt, begint te lopen vanaf het moment waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Dit volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Filev en Osmani (C-297/12).
De Hoge Raad benadrukt dat een ongewenstverklaring die is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum, gelijkgesteld moet worden aan een inreisverbod en vanaf die datum gebonden is aan de maximale duur van vijf jaar, mits de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
Het beroep van de verdachte kan niet tot cassatie leiden omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. De Hoge Raad sluit hiermee aan bij eerdere jurisprudentie en de uitleg van de terugkeerrichtlijn door het Hof van Justitie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vijfjaarstermijn van de terugkeerrichtlijn begint te lopen vanaf het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.