ECLI:NL:HR:2014:3093

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2014
Publicatiedatum
4 november 2014
Zaaknummer
13/00812
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 11 lid 2 richtlijn 2008/115/EGArt. 3 onder 6 richtlijn 2008/115/EGArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over aanvangstijdstip vijfjaarstermijn terugkeerrichtlijn bij ongewenstverklaring

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem over de toepassing van de terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG) en de interpretatie van de maximale duur van een inreisverbod of ongewenstverklaring.

De Hoge Raad heeft in deze uitspraak van 4 november 2014 het beroep verworpen en ambtshalve het oordeel bevestigd dat de vijfjaarstermijn waarbinnen een inreisverbod of ongewenstverklaring geldt, begint te lopen vanaf het moment waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Dit volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Filev en Osmani (C-297/12).

De Hoge Raad benadrukt dat een ongewenstverklaring die is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum, gelijkgesteld moet worden aan een inreisverbod en vanaf die datum gebonden is aan de maximale duur van vijf jaar, mits de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Het beroep van de verdachte kan niet tot cassatie leiden omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. De Hoge Raad sluit hiermee aan bij eerdere jurisprudentie en de uitleg van de terugkeerrichtlijn door het Hof van Justitie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vijfjaarstermijn van de terugkeerrichtlijn begint te lopen vanaf het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.

Uitspraak

4 november 2014
Strafkamer
nr. 13/00812
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 november 2012, nummer 21/002560-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.
In zijn arrest van 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3928, NJ 2014/218 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de in die zaak aan de orde zijnde richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEG L 348/98; hierna: de terugkeerrichtlijn) het volgende overwogen:
"3.3. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste datum waarop de lidstaten voor implementatie van de richtlijn benodigde wettelijke bepalingen in werking dienden te laten treden, meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de richtlijn met betrekking tot het opleggen van een inreisverbod, kan het evenmin tot cassatie leiden. Ook als zou moeten worden aangenomen dat die opvatting juist is, zou, aansluitend aan hetgeen in art. 66a, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 is bepaald ten aanzien van een inreisverbod, moeten worden aangenomen dat die duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. De stukken waarvan de Hoge Raad kennisneemt, houden niet in dat die datum is verstreken."
3.2.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn uitspraak van 19 september 2013 (C-297/12) in de zaken Filev en Osmani met betrekking tot die richtlijn voor recht verklaard:
"(...)
2) Artikel 11, lid 2, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een inbreuk op een verbod om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en aldaar te verblijven, welk verbod is opgelegd meer dan vijf jaar vóór ofwel de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land opnieuw die lidstaat is binnengekomen, ofwel de datum waarop de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn in werking is getreden, tot een strafrechtelijke sanctie leidt, tenzij deze onderdaan een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
3) Richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat deze eraan in de weg staat dat een lidstaat bepaalt dat een uitzettings- of verwijderingsmaatregel die minstens vijf jaar voorafgaat aan het tijdvak tussen de datum waarop deze richtlijn had moeten zijn omgezet en de datum waarop deze omzetting daadwerkelijk is verricht, later opnieuw als basis kan dienen voor strafvervolgingen, wanneer voornoemde maatregel was gebaseerd op een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 2, lid 2, sub b, van de richtlijn en die lidstaat heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid waarin deze bepaling voorziet."
3.3.
Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie kan worden vastgesteld dat het – door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 mei 2013 nog in het midden gelaten – antwoord op de vraag of de inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur als bedoeld in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn, bevestigend luidt. Uit voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie volgt immers dat voor zover zo een ongewenstverklaring die is opgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum moet worden gelijkgesteld aan een inreisverbod als bedoeld in art. 3, onder 6, van de terugkeerrichtlijn, ook die ongewenstverklaring vanaf het verstrijken van die datum in beginsel is gebonden aan de in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur van vijf jaar.
3.4.
Noch uit voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie – die betrekking heeft op gevallen waarin de vreemdeling aan zijn terugkeerverplichting had voldaan door de lidstaat daadwerkelijk te verlaten – noch uit doel, strekking of inhoud van de terugkeerrichtlijn zelf volgt echter dat niet langer als juist zou kunnen worden aangemerkt het in voormeld arrest van de Hoge Raad vervatte oordeel dat die in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur, aansluitend aan hetgeen in art. 66a, vierde lid, Vreemdelingenwet 2000 is bepaald ten aanzien van een inreisverbod, in zo een geval wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. In dat verband geldt immers dat een vóór de datum van inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijkgesteld – in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur – indien en voor zover de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2014.