ECLI:NL:HR:2015:138

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
28 januari 2015
Zaaknummer
14/00163
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep zonder rechtsgevolg

In deze strafzaak stelde de verdachte beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte voerde aan dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep was overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden. Het hof had echter nagelaten om op dit verweer te beslissen, wat een motiveringsgebrek oplevert.

De Hoge Raad constateert dat het verweer van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep terecht is aangevoerd en dat het hof op grond van artikel 81, eerste lid, RO, een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Omdat het hof dit niet heeft gedaan, is het middel gegrond.

Desalniettemin besluit de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen omwille van de doelmatigheid. De redelijke termijn is inderdaad overschreden, maar gezien de korte duur van de opgelegde gevangenisstraf van zes weken en de mate van overschrijding, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden.

Daarom wordt het beroep van de verdachte verworpen en blijft de straf ongewijzigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn, zonder rechtsgevolgen voor de straf.

Uitspraak

27 januari 2015
Strafkamer
nr. 14/00163
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2013, nummer 23/002214-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1972.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer.
3.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 september 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"(...)
- Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn nu meer dan twee jaar is verstreken sinds de aanvang van de zaak. Op de vorige zitting is de zaak aangehouden in verband met het niet verschijnen van een tolk. De overschrijding van de redelijke termijn dient tot strafvermindering te leiden.
(...)"
3.3.
Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond. Het verweer heeft, gelet op de zeer korte duur van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, klaarblijkelijk betrekking op de overschrijding van de redelijke termijn in de appelfase.
3.4.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2015.