ECLI:NL:PHR:2013:1880

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
12/02760
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 81 ROArt. 82 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring zware mishandeling en verwerpt noodweerverweer

Het gerechtshof Leeuwarden heeft verdachte op 23 december 2011 veroordeeld wegens zware mishandeling, waarbij het slachtoffer een gebroken neus opliep en langdurige gevolgen ondervond. Verdachte kreeg een werkstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en werd veroordeeld tot schadevergoeding aan het slachtoffer.

Verdachte stelde in cassatie dat het hof het opzet en het zware lichamelijke letsel onvoldoende had gemotiveerd en dat het noodweerverweer ten onrechte was verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende bewijs had voor het opzet en het letsel, onderbouwd met verklaringen van het slachtoffer, medische rapporten en getuigenverklaringen.

Het hof had het noodweerverweer verworpen omdat de feitelijke situatie en de verklaringen van verdachte en slachtoffer niet aannemelijk maakten dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling en de opgelegde straf en schadevergoeding in stand bleven.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens zware mishandeling en verwerpt het noodweerverweer.

Conclusie

Nr. 12/02760
Mr. Spronken
Zitting: 15 oktober 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Leeuwarden heeft verdachte op 23 december 2011 wegens zware mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.
2. Mr. T. Binnema, advocaat te Leeuwarden, heeft namens verdachte tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
3. Mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen, heeft namens verdachte een schriftuur ingezonden met daarin drie middelen van cassatie.

4.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

5. De eerste twee middelen klagen dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat het opzet en het zwaar lichamelijk letsel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
6. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 juli 2009 te Langweer, in de gemeente Skarsterlân, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een gebroken neus, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht met een tot vuist gebalde hand in het gezicht te stompen.”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar op 24 juli 2009 opgemaakt proces-verbaal (pagina 8 en verder van een dossier met proces-verbaalnummer 2009077599-1), zakelijk weergegeven inhoudend:
als verklaring van aangever [slachtoffer]:
Vannacht, op 24 juli 2009, was ik in café “De Wielen” te Langweer, gemeente Skarsterlân. Op een gegeven moment ben ik even naar buiten gelopen. Nadat ik ongeveer een halfuurtje buiten het café had gestaan, liep ik weer naar binnen om bier te halen. De toegang naar het café gaat via een halletje. Vervolgens moest ik vanuit de hal door een deuropening om in het cafégedeelte bij de bar te komen. De deur stond al open. Toen ik net door die deuropening wilde lopen, liep mij een persoon tegemoet. Hij wilde kennelijk naar buiten. Wij wilden tegelijkertijd door de deuropening. Deze tegenligger gaf mij daar toen eerst met zijn schouder een drukker. Daardoor werd ik uit mijn evenwicht gebracht, maar ik viel niet op de grond. Het was kennelijk een signaal van hem dat ik aan de kant moest gaan. Dat deed ik niet.
Hij drukte mij met zijn hand hard tegen de muur aan en stompte - nog voordat ik ergens op kon reageren - met zijn volle vuist hard in mijn gezicht. Ik voelde meteen dat het bloed over mijn gezicht stroomde. Dat was bloed afkomstig uit mijn neus. Ook voelde ik ineens veel pijn aan mijn neus en aan mijn bovenlip. Dat was als gevolg van die stomp.
2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 24 mei 2011, zakelijk weergegeven inhoudend:
Op 24 juli 2009 bevond ik mij in café “De Wielen” te Langweer. Op een gegeven moment wilde ik naar huis. Daartoe diende ik het café te verlaten via een openstaande deur die uitkwam in een smal halletje. Aangezien er op dat moment vanuit tegenovergestelde richting enkele personen via die deur het café in wilden, heb ik hen voor laten gaan. Ik ben vervolgens door de deuropening het halletje ingelopen. [slachtoffer], die uit tegenovergestelde richting kwam lopen, liep tegelijk met mij door die deuropening. Aangezien die deuropening te smal was voor twee personen, stootte [slachtoffer] tegen mij aan. Ik heb hem met mijn vuist in het gezicht geslagen.
3. Een in de schriftelijk stuk, te weten een [slachtoffer] betreffende geneeskundige verklaring naar aanleiding van een op 27 juli 2009 uitgevoerd onderzoek (pagina 22 van het onder 1 genoemde dossier), zakelijk weergegeven inhoudend:
Uitwendig waargenomen letsel: Neusfractuur.
Geschatte duur van de genezing: 6 weken.
4. De verklaring van [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 9 december 2011, zakelijk weergegeven inhoudend:
Ik ben na het incident met mijn zusje naar het ziekenhuis gegaan. Het was een ernstig verhaal. Ik had een zware neusfractuur. Binnen een bepaalde termijn kan een dergelijke fractuur gezet worden, maar dat hebben ze niet gedaan. Ik ben tweemaal aan mijn neus geopereerd. Ik heb door het incident 3 tot 4 weken niet kunnen werken. Ik heb een tijd in de ziektewet gezeten. Na die periode heb ik ook nog een tijd beperkt werk uitgevoerd en minder gewerkt. Ik heb tot op de dag van vandaag nog steeds last van mijn neus. De pijn drukt door naar mijn voortanden. Ik heb door het incident ook last van slaapapneu.”
8. Bij de beoordeling van het middelen is het volgende van belang.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De verdachte moet wetenschap hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust hebben aanvaard. Of hiervan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - afgezien van contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard. [1]
Ten aanzien van het begrip “zwaar lichamelijk letsel” geldt dat art. 82 Sr Pro weliswaar een opsomming geeft van de gevallen die als zodanig moeten worden beschouwd, waaronder het door de steller van de middelen genoemde ontbrekende uitzicht op volkomen genezing of een voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, maar deze opsomming is niet limitatief. Het staat de rechter vrij om lichamelijk letsel als zwaar aan te merken wanneer dat letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dat brengt mee dat het oordeel of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel is te beschouwen, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. De Hoge Raad grijpt daarom pas in als uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. [2] Ik merk daarbij nog op dat voor het aannemen van zwaar lichamelijk letsel niet is vereist dat het letsel blijvend is. [3]
9. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte het slachtoffer een plotselinge, harde vuistslag vol in het gezicht heeft gegeven, waardoor het slachtoffer een neusfractuur heeft opgelopen, twee operaties aan zijn neus heeft moeten ondergaan, een aantal weken helemaal niet heeft kunnen werken en daarna nog een tijd beperkt/minder heeft gewerkt. Bovendien ondervindt het slachtoffer 2,5 jaar na de mishandeling nog steeds dagelijks de pijnlijke gevolgen daarvan. Daarmee is voldoende gezegd over zowel de gevolgen als de kracht waarmee is geslagen, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een heel kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is en dat een krachtige stomp tegen het hoofd gemakkelijk kan leiden tot ernstig letsel. [4] Het oordeel van het hof dat het gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedraging niet anders kan zijn dan dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze aanmerkelijke kans en dat het slachtoffer daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd.
10. Beide middelen falen.

11.Beoordeling van het derde middel

12. Het derde middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. De steller van het middel betoogt dat de aanname van het hof dat sprake was van één en dezelfde muur in de verklaringen van zowel verdachte als het slachtoffer en dat het alleen geloofwaardig is dat het slachtoffer met zijn rug tegen die muur stond, tekortschiet, omdat ervan moet worden uitgegaan dat de schermutseling tussen verdachte en het slachtoffer zich afspeelde in een klein, smal halletje met twee tegenover elkaar gesitueerde muurtjes.
13. Als door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, moet de rechter volgens vaste rechtspraak onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden op basis van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. [5]
14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2011 houdt als pleidooi van de raadsvrouw van verdachte in:
“Verdachte moest zich verdedigen en heeft gehandeld uit noodweer. Ik verwijs naar de door mij op voorhand aan het hof en de advocaat-generaal gezonden kleurenfoto’s en situatieschets van de plaats delict. Uit die stukken blijkt dat verdachte geen kant op kon toen [slachtoffer] dreigend met gebalde vuist op hem afkwam. Ik doe een beroep op noodweer. Als gevolg daarvan dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
15. Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2011 heeft de raadsvrouw van verdachte wederom aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van een noodweersituatie.
12. Het hof heeft ten aanzien van de strafbaarheid van het feit het volgende overwogen en beslist:
“Aangever en verdachte hebben beiden ter terechtzitting van het hof hun lezing van de gebeurtenissen gegeven. Het hof acht de verklaring van aangever betrouwbaar en gaat bij de beoordeling van het verweer van de verdediging uit van de feitelijke gang van zaken, zoals deze blijkt uit de verklaring van aangever. Met name acht het hof de verklaring van aangever betrouwbaar, omdat daaruit naar voren komt dat hij met zijn rug tegen de muur stond, toen hij de vuistslag van verdachte in zijn gezicht kreeg, hetgeen – gelet ook op de richting van waaruit hij voordien kwam – geloofwaardig is. De verklaring van verdachte daarentegen dat híj aldaar met de rug tegen de muur stond acht het hof – gelet op de richting van waaruit verdachte voordien kwam en de omstandigheid dat hij om met zijn rug tegen de muur te komen staan een draai zou hebben moeten maken – ongeloofwaardig. Hiermee mist het beroep op noodweer feitelijke grondslag. Er was geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Derhalve kan van noodweer geen sprake zijn. Het hof acht het bewezenverklaarde strafbaar”.
13. Het slachtoffer is ter terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2011 uitvoerig als getuige gehoord, waardoor het hof hem heeft kunnen waarnemen en ondervragen en zich een gedegen oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van zijn verklaring. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze verklaring betrouwbaar is omdat de door het slachtoffer beschreven feitelijke gang van zaken, in tegenstelling tot de door verdachte gegeven beschrijving daarvan, goed aansluit bij de richtingen waaruit verdachte en het slachtoffer kwamen toen zij elkaar in de deuropening troffen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 december 2011 opgenomen getuigenverklaring van het slachtoffer en de in het dossier aanwezige situatieschets begrijp ik dat verdachte vanuit het café de hal in liep en dus de geopende deuropening achter zich had, terwijl het slachtoffer vanuit de hal het café in wilde lopen en zich achter hem een muur van een trappenhuis bevond. Het met deze feitelijke situatie verweven oordeel van het hof dat er slechts één muur in het spel was en dat het alleen geloofwaardig is dat het slachtoffer degene was die daar tegenaan stond, waardoor er geen noodweersituatie voor verdachte was, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het hof heeft het beroep op noodweer dan ook op goede gronden verworpen.
14. Het middel faalt.
15. Alle voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak moet leiden.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003, 552 m.nt. Buruma, r.ov. 3.6; HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010, 117 m.nt. Keijzer; HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3460, NJ 2012, 503 m.nt. Keulen, r.ov. 2.3.
2.Zie bijv. HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055, HR 31 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0768, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9985 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407.
3.HR 1 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AB7540, r.ov. 5.3; A.J. Machielse in NLR aant. 2 bij art. 82 Sr Pro.
4.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1761 (niet gepubliceerd, HR 81RO).
5.Zie recentelijk HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, r.ov. 4.3.