Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
24 september 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 31 oktober 2009 in Rotterdam met een vuurwapen op een persoon had geschoten met het oogmerk deze van het leven te beroven, hetgeen niet was voltooid. Het Hof Den Haag verwierp het beroep op noodweer omdat de verdachte volgens het hof ook een andere uitweg had kunnen vinden, zoals het tramuitvluchten, en het schieten niet noodzakelijk was.
De Hoge Raad overwoog dat het hof de proportionaliteits- en subsidiariteitseisen bij noodweer niet begrijpelijk had toegepast. De feiten, waaronder de aanwezigheid van een groep agressieve achtervolgers en de situatie in de tram met meerdere aanwezigen, waren door het hof vastgesteld. Toch oordeelde het hof dat de verdachte niet noodweer kon inroepen omdat hij andere uitwegen had, wat de Hoge Raad onbegrijpelijk achtte.
De Hoge Raad bevestigde de relevante criteria uit eerdere arresten over noodweer, waaronder dat een gedraging geboden moet zijn door noodzakelijke verdediging en dat de verdachte zich niet had kunnen onttrekken aan de aanranding. Gezien de vastgestelde feiten was het oordeel van het hof dat de verdachte andere uitwegen had niet te begrijpen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het het oordeel over noodweer betreft en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De overige middelen werden verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het oordeel over noodweer en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.