Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De voorraad is verpand aan de bank hetgeen door u wordt erkend.
Verkoop van deze voorraad zal gedurende 6 weken plaatsvinden vanuit het huidige winkelpand aan de [a-straat 1-2] te Nijmegen. De opbrengst zal worden afgestort c.q. per pin binnenkomen op de bankrekening van [betrokkene 1] bij de ING Bank geadministreerd onder nummer (…).
U schrijft de crediteuren aan dat zij in verband met het faillissement van [betrokkene 1] hun eigendomsvoorbehoud kunnen inroepen en uitoefenen. De controle of terecht een beroep op eigendomsvoorbehoud wordt gedaan zal door u in samenspraak met familie [van betrokkene] worden gedaan.
Over de opbrengst van de voorraad zal na correctie van de inkoopwaarde van verkochte voorraad waarop aantoonbaar eigendomsvoorbehoud rust, een boedelbijdrage van toepassing zijn van 20%.
grief IXstrekt o.m. tot betoog dat de bank op rechtsgeldige wijze haar pandrecht op de winkelvoorraad heeft uitgewonnen, zodat aan het leerstuk van verrekening op de voet van art. 54 Fw Pro niet wordt toegekomen. [10]
incidentele grievenwordt betoogd dat de kwade trouw van de bank bij de verrekening reeds vaststaat. [13] De bank voert verweer in het incidenteel appel.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
rechtsklachtberust op de lezing dat het hof de totstandkoming van bedoelde overeenkomst uitsluitend heeft afgeleid uit de omstandigheid dat de bank, gelet op het verzuim van [betrokkene 1] de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van de bank om haar pandrecht uit te winnen, een afwijkende wijze van verkoop als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW Pro met [betrokkene 1]
“kon overeenkomen”. Geklaagd wordt dat het hof aldus heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat een pandhouder
bevoegdis tot verhaal ex art. 3:248 BW Pro nog niet meebrengt dat, indien die pandhouder met de pandgever overeenkomt dat de pandgever het verpande goed zal verkopen, daarmee een afwijkende wijze van executoriale verkoop in de zin van art. 3:251 lid 2 BW Pro
isovereengekomen. Daartoe wordt aangevoerd dat een pandhouder die bevoegd is tot parate executie immers evenzeer, gelijk een pandhouder wiens pandgever nog niet in verzuim is als bedoeld in art. 3:248 lid 1 BW Pro, met zijn pandgever kan overeenkomen dat de pandgever overgaat tot een niet-executoriale (‘vrijwillige’) verkoop van een verpand goed. Het hof heeft aldus miskend dat het antwoord op de vraag of een tussen een tot parate executie bevoegde pandhouder en zijn pandgever gesloten overeenkomst tot verkoop van verpande goederen door de pandgever moet worden aangemerkt als een overeenkomst tot afwijkende wijze van (executoriale) verkoop als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW Pro, uitsluitend afhangt van de
inhoudvan die overeenkomst, meer in het bijzonder van het (redelijkerwijs over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen af te leiden)
oogmerkvan partijen een overeenkomst in de zin van art. 3:251 lid 2 BW Pro te sluiten.
motiveringsklacht, het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de stellingen van de bewindvoerder onder 129 tot en met 131 van de memorie van antwoord niet (kenbaar) heeft verworpen. Met deze stellingen zou de bewindvoerder uitdrukkelijk hebben betoogd dat de bank en [betrokkene 1] geen executoriale verkoop zijn overeengekomen. [16]
gever(of diens curator) het verpande goed onderhands verkoopt en de opbrengst ter beschikking stelt van de pandhouder opdat deze het hem verschuldigde daarop kan verhalen, zo volgt uit het arrest van Uw Raad van 25 februari 2011 (ING/Hielkema q.q.): [21]
explicietmoet worden gemaakt. Dit lees ik echter niet in deze uitspraken. De rechtbank verwierp het beroep op art. 3:251 lid 2 BW Pro omdat er geen sprake was van verzuim en de pandgever de koopovereenkomst niet namens de pandhouder was aangegaan, [27] welk oordeel ook in appel tot uitgangspunt diende. [28]
executorialeverkoop in de zin van art. 3:251 lid 2 BW Pro, ten behoeve van ING.”
afspraakgeen sprake was (memorie van antwoord, onder 128). Vervolgens heeft hij betoogd:
executorialeverkoop. Voor een executoriale verkoop is immers vereist dat door of namens de pandhouder wordt verkocht. De bewindvoerder wijst ter zake op art. 3:248 lid 1 BW Pro (onderstreping adv):
aanING, maar aan [betrokkene 1] betaald. Uiteindeljk zijn deze betalingen bijgeschreven op de bankrekening van [betrokkene 1] bij ING. Degelijke betalingen kunnen vanzelfsprekend niet worden aangemerkt als betalingen van de klanten aan ING, maar zijn gewoon betalingen aan [betrokkene 1] zelf. Door deze constructie te verkiezen boven een ‘gewone’ uitwinning van het pandrecht, bracht ING zichzelf in de positie dat op een later moment wel verrekend moest worden tussen het rekening-courantsaldo en de Rentevastlening.
nietexecutoriaal door ING verkocht, maar gewoon, met toestemming van ING, onderhands door [betrokkene 1] als pandgever zelf.”
verkoopzoals zij
heeft plaatsgevondenom de aldaar genoemde redenen geen executoriale verkoop
wasc.q.
konzijn – al aldus begrepen moeten worden dat zij strekken tot betoog – in het kader van de Haviltex-maatstaf – dat partijen niet geacht kunnen worden een executoriale verkoop op de voet van art. 3:251 lid 2 BW Pro te
hebbenbeoogd omdat hetgeen zij overeenkwamen geen executoriale verkoop
konconstitueren, heeft het hof dat betoog verworpen. Het oordeel van het hof dat de pandhouder en de pandgever een afwijkende executoriale verkoop in de zin van art. 3:251 lid 2 BW Pro zijn overeengekomen geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de voor de kwalificatie van de overeengekomen verkoop te hanteren maatstaf. Het is in het licht van de stellingen van partijen evenmin onvoldoende gemotiveerd.
rechtsklachtstrekt tot betoog dat het hof heeft miskend dat indien, zoals in het onderhavige geval, de pandhouder (bank) zich na betaling of storting van de koopsom op de bij hem aangehouden bankrekening van de pandgever door creditering van die rekening tot debiteur van de pandgever heeft gemaakt, art. 54 Fw Pro zich, indien de pandhouder (bank) daarbij niet te goeder trouw was in de zin van die bepaling, ertegen verzet dat hij zich op verrekening van het aldus ontstane creditsaldo met de schuld van de pandgever beroept, en dat daaraan niet afdoet dat de verkoop door de pandgever als een executoriale verkoop ex art. 3:251 lid 2 BW Pro moet worden aangemerkt en/of dat de betalingen op de bankrekening hebben plaatsgevonden overeenkomstig de afspraak tussen pandhouder (bank) en pandgever.
motiveringsklachthoudt in dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, omdat uit zijn arrest niet blijkt van omstandigheden die, niettegenstaande het voorgaande, meebrengen dat “de opbrengst van die executoriale verkoop […] zonder meer aan de bank toe[kwam]” en dat geen sprake is van verboden verrekening na schuldoverneming als bedoeld in art. 54 Fw Pro.
“juist (is) dat, als het verweer van de bank ten aanzien van de rechtsgeldige executie opgaat, aan de door de rechtbank opgedragen bewijslevering met betrekking tot de goede trouw van de bank niet meer behoeft te worden toegekomen.”Hierin ligt het oordeel besloten dat in geval van executoriale verkoop geen sprake kan zijn van verboden schuldoverneming in de zin van art. 54 Fw Pro.
vóórc.q.
in het zicht van faillissementhoudt dit inmiddels zeer omvangrijke leerstuk [30] onder meer het volgende in.
buitenfaillissement – anders dan in geval van inning door de curator tijdens faillissement – de pandhouder niet zijn voorrang op het geïnde behoudt. [36] In zoverre lijkt dan ook geen grond te bestaan voor verrekeningsbevoegdheid in het zicht van faillissement.
afhoudten in mindering brengt op hetgeen hij van de pandgever te vorderen heeft (art. 3:253 lid 1 BW Pro). Dit impliceert dat ten belope van bedoeld bedrag geen schuld van de bank als pandhouder jegens de pandgever bestaat. [42] Het crediteren van een bankrekening met een debetsaldo, waarin de door pand gezekerde vordering is geboekt, als uitvloeisel van het feit dat de bank ter zake van die vordering verhaal heeft genomen, behelst dan ook niet de boeking van een tegenvordering, maar is een louter administratieve handeling waarmee de rekening-courant in overeenstemming wordt gebracht met de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen. Met verrekening heeft dit niets van doen, zodat ook de wettelijke verrekeningsbepalingen niet van toepassing zijn. [43] In het verlengde daarvan laat zich verdedigen dat in het onderhavige geval de debitering van de rekening-courant met het verschuldigde bedrag valt aan te merken als een administratieve handeling waarmee het nemen van verhaal en de daarmee gepaard gaande vermindering van de schuld tot uitdrukking worden gebracht. [44]
rechtsklachthoudt in dat het hof een onjuiste uitlegmaatstaf heeft gehanteerd door art. 11.1 in het voordeel van de gebruiker (de bank) uit te leggen op de enkele grond dat het gebruik van het woord “ingebrekestelling” zinledig zou zijn indien de bepaling behalve op opeisbaarheid, niet ook op het intreden van verzuim betrekking zou hebben. Daartoe wordt aangevoerd dat bij de uitleg van een beding in algemene voorwaarden (van een bank) een aantal in de klacht met name genoemde gezichtspunten van belang is, tegen de achtergrond waarvan, mede gelet op art. 6:238 lid 2 BW Pro, in een situatie als de onderhavige, waarin door de wederpartij van de gebruiker van de algemene voorwaarden een (voor haar gunstiger) tekstuele (letterlijke) uitleg van het litigieuze beding wordt verdedigd, terwijl de gebruiker een (voor laatstgenoemde gunstiger) uitleg verdedigt die juist van een tekstuele (letterlijke) uitleg afwijkt, de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat bij twijfel over de betekenis van het beding de voor de wederpartij gunstigste uitleg in beginsel prevaleert.
motiveringsklachtis de door het hof gegeven uitleg onvoldoende gemotiveerd in het licht van (i) de hiervoor genoemde gezichtspunten en omstandigheden, en (ii) de stelling van de bewindvoerder dat de door hem verdedigde uitleg steun vindt de evenzeer van toepassing zijnde Algemene voorwaarden (verwezen wordt naar conclusie van repliek, onder 38-39).
Géén verzuim
zonder ingebrekestelling’zou anders nergens op slaan. Het gaat de bank er juist om dat haar kredietnemer direct in verzuim komt te verkeren, zodat zij meteen een rechtsvordering tegen die kredietnemer kan instellen of tot uitwinning van haar zakelijke zekerheden kan overgaan. De letterlijke tekst van de bepaling en ook de – evidente – bedoeling van partijen pleit zonder meer voor deze uitleg. (…)”