Uitspraak
zetelende te Leeuwarden,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Op 29 november 2002 is zij failliet verklaard.
4.Beslissing
13 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de Provincie Fryslân en een verweerster die lasthebber is van de pandhouder van vorderingen op een failliete aannemingsmaatschappij. De Provincie had de aannemingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en stelde verrekening van haar tegenvordering tegenover de vordering van de verweerster.
Het hof Leeuwarden kende de vordering van de verweerster toe en oordeelde dat het beroep op verrekening jegens haar toekomt. Het hof stelde dat het arbitrale beding in de aannemingsovereenkomst een beroep op onbevoegdheid mogelijk maakt, maar passeerde het verrekeningsberoep omdat de gegrondheid niet eenvoudig vast te stellen was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het beroep op verrekening op grond van art. 6:136 BW Pro heeft gepasseerd, omdat de pandhouder en diens lasthebber geen beroep kunnen doen op die bepaling bij faillissement van de pandgever. Ook stelde de Hoge Raad dat het hof niet zonder motivering aan het beroep van de Provincie op een arbitrale uitspraak voorbij had mogen gaan.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de Provincie de vordering tot handelsrente niet had bestreden. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling en beslissing.