Uitspraak
primair:
17 februari 1995.
Hoge Raad
In deze zaak stond de positie van een bank als stille pandhouder centraal na het faillissement van Connection Technology B.V. De bank had stil pandrecht op vorderingen van Connection, zonder mededeling aan de schuldenaren. De curator vorderde betaling van door de bank ontvangen bedragen die tijdens het faillissement waren voldaan ter voldoening van deze vorderingen.
De rechtbank wees de vorderingen van de curator af en erkende de verrekeningsbevoegdheid van de bank, ook voor betalingen ontvangen na het faillissement maar vóór mededeling van het pandrecht. De Hoge Raad vernietigde het vonnis voor zover de rechtbank oordeelde dat het pandrecht voortduurde op door de curator geïnde bedragen zonder mededeling, omdat betaling aan de curator de vordering en daarmee het pandrecht tenietdoet.
De Hoge Raad bevestigde dat zolang geen mededeling van het pandrecht is gedaan, de curator bevoegd is betalingen te innen en dat de pandhouder geen aanspraak heeft op afdracht van deze bedragen. Wel behoudt de pandhouder zijn voorrang bij de uitdeling van de faillissementsboedel. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de bank zich op haar verrekeningsbevoegdheid kan beroepen, ook bij betalingen na faillissementskennis, omdat dit strookt met de opzet van het stil pandrecht en de continuering van financieringspatronen.
De Hoge Raad wees de vorderingen van de bank tot afdracht af en compenseerde de proceskosten in eerste aanleg. De bank werd veroordeeld in de kosten van cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor een deel, wijst de vorderingen van de curator af, bevestigt de verrekeningsbevoegdheid van de bank en compenseert de proceskosten in eerste aanleg.