ECLI:NL:PHR:2012:BU3784
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanvang van de verjaringstermijn van regresvordering op hoofdelijk medeschuldenaar
In deze zaak staat de vraag centraal op welk moment de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro aanvangt voor regresvorderingen op grond van artikel 6:10 BW Pro. De casus betreft een letselschadezaak waarbij Achmea als aansprakelijkheidsverzekeraar regres zoekt op mede-eiseres en haar verzekeraar ASR.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verjaring pas begint te lopen nadat de regresvordering opeisbaar is geworden, dat wil zeggen nadat de hoofdelijke schuldenaar meer dan zijn eigen aandeel in de schuld aan de schuldeiser heeft voldaan. Dit betekent dat de verjaring niet eerder aanvangt dan na betaling, ook al was de schade en de aansprakelijke persoon eerder bekend.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de regresvordering een vordering tot schadevergoeding is die pas ontstaat en opeisbaar wordt bij betaling door de hoofdelijke schuldenaar. De verjaringstermijn begint daarom niet eerder te lopen dan op het moment dat de vordering opeisbaar is. Dit sluit aan bij de ratio van de korte verjaringstermijn die billijkheid en rechtszekerheid wil waarborgen.
Verder bespreekt de Hoge Raad uitgebreid de jurisprudentie en literatuur over het ontstaan en de opeisbaarheid van regresvorderingen, het bekendheidsvereiste, en de verhouding tussen hoofdelijk verbonden schuldenaren. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheid van rechtsverwerking en de eisen van redelijkheid en billijkheid in de onderlinge verhouding.
De conclusie is dat het cassatiemiddel faalt en het arrest van het hof wordt bekrachtigd, waarbij de verjaringstermijn pas begint te lopen nadat de regresvordering opeisbaar is geworden door betaling van meer dan het eigen aandeel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vijfjarige verjaringstermijn van een regresvordering pas begint te lopen na opeisbaarheid van de vordering door betaling van meer dan het eigen aandeel.