Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
BNB2013/12). De regresvordering van belanghebbende is dan ook pas ontstaan op het moment dat hij € 30.000 voldeed aan de Bank, en voor een even groot bedrag een regresvordering kreeg op de BV. De waarde in het economisch verkeer van deze vordering was, vanwege het faillissement, op dat moment nihil. Het verschil tussen de betaling door belanghebbende en de waarde van de regresvordering komt ten laste van het resultaat van de werkzaamheid.
3.Het geding in cassatie
4.Schuldvorderingen in aanmerkelijk-belangsituaties
Fiscale Encyclopedie De Vakstudie(deel Inkomstenbelasting) schreef bij de voorloper van artikel 3.92 Wet IB 2001 over de vraag wanneer het recht op betaling van een geldbedrag als schuldvordering kwalificeert, het volgende: [6]
5.Borgstellingsovereenkomsten onder de terbeschikkingstellingsregeling
Haentjensis sprake van borgtocht wanneer iemand zich aandient als schuldenaar voor een schuld die hem zelf niet aangaat: [7]
.,Parl. Gesch. Inv., p. 426. (…) Art. 850 lid 1 drukt Pro dit uit door te zeggen dat er borgtocht is als iemand zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis
van een derde.
tegenover de schuldeiser en derdenaandient als iemand wie de schuld uiteindelijk niet aangaat. Terwijl de derde-gesubrogeerde zich niet behoeft te bekommeren om de – voor hem trouwens veelal niet kenbare – onderlinge regresverhouding van “blote" hoofdelijke schuldenaren, staat hij in het normale geval tegenover een borg op dezelfde wijze als tegenover b.v. een derde-hypotheekgever wie de schuld uiteindelijk niet aangaat; ook verhaal op de borg zou slechts een omweg betekenen, omdat deze zich altijd weer kan verhalen op de hoofdschuldenaar.
Parl. Gesch. Boek 7, p. 465.
nietsop de hoofdschuldenaar verhalen als hij de schuldeiser alleen heeft weten te bewegen om diens vordering aan de hoofdschuldenaar kwijt te schelden.
Van Schaickschrijft dienaangaande: [20]
Borgstellingsovereenkomsten onder de tbs-regeling
BNB2012/188) [21] is het eerste van een reeks arresten waarin de verhouding tussen borgstellingen en de terbeschikkingstellingsregeling aan de orde is gesteld.
LJNAA2555,
BNB1998/409). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 is overwogen kan een dergelijke voorziening evenzeer betrekking hebben op een door de aanmerkelijkbelanghouder nog te verrichten betaling als in 3.3.2 bedoeld.
BNB1998/409). [24] Om vast te stellen of in deze zaak aan deze eisen was voldaan, heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar hof Amsterdam.
NJB2012/978), heeft de Civiele kamer van de Hoge Raad zich over dit vraagstuk uitgelaten. [26] In dit arrest was in geschil op welk moment een regresvordering uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid ex artikel 6:10 BW Pro ontstaat: het moment waarop de hoofdelijke verbondenheid tot stand komt, of het moment waarop de medeschuldenaar een bedrag voldoet voor meer dan het gedeelte dan hem aangaat. De Hoge Raad oordeelde dat, anders dan in de literatuur [27] en uit een aantal eerdere uitspraken van de Hoge Raad [28] wel wordt afgeleid, laatstgenoemde opvatting de juiste is.
BNB2012/188 (verschenen nadat uitspraak was gedaan in de civiele zaak van 6 april 2012), beantwoordde deze vraag bevestigend:
BNB2013/12) [31] kreeg de Belastingkamer van de Hoge Raad de gelegenheid om zich over dit vraagstuk uit te laten. In dit arrest werd geoordeeld dat het arrest van 9 maart 2012 (
BNB2012/188) niet door het arrest van de Civiele kamer van 6 april 2012 achterhaald is. In het arrest van 14 september 2012 was, evenals in het arrest van 9 maart 2012, in geschil op welk moment een door de bank aangesproken borgsteller een verlies uit hoofde van de borgtocht in aanmerking mocht nemen.
uiteindelijkebeslissing van het Hof (het in aanmerking nemen van een verlies in het onderhavige jaar), juist is:
LJNBU3784,
RvdW2012/534, moet, anders dan wel is afgeleid uit de in 3.2 genoemde arresten van de Hoge Raad, tot uitgangspunt dienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Voor zover het Hof aan zijn oordeel dat belanghebbende in het onderhavige jaar een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking kan nemen ten grondslag heeft gelegd dat zij in dat jaar reeds een regresvordering op de vennootschap had, geeft het oordeel derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is in zoverre gegrond.
LJNBR6345,
BNB2012/188, behoort in een geval als het onderhavige de uit een borgstellingsovereenkomst voortvloeiende verplichting een betaling te doen aan de crediteur van de hoofdschuldenaar ingevolge artikel 3.92, lid 1, Wet IB 2001 tot het werkzaamheidsvermogen en wordt ook de afwikkeling van die verplichting beheerst door de bepalingen van de Wet IB 2001 met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden. Immers, de regresvordering vloeit voort uit de betaling die de borg aan de crediteur van de hoofdschuldenaar doet. Hierdoor moet de verplichting van de borg aan die hoofdschuldenaar als ten grondslag liggend aan de regresvordering worden aangemerkt als een rechtstreeks samenhangende schuld in de zin van artikel 3.92, lid 1, van de Wet IB 2001.[ [32] ] Aangezien deze verplichting ontstaat door het aangaan van de borgstelling, behoort zij reeds vanaf dat moment tot het werkzaamheidsvermogen. De overeenkomstige toepassing van artikel 3.25 Wet IB 2001 op grond van artikel 3.95 van die wet brengt mee dat bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid van een jaar voorafgaande aan de betaling uit hoofde van de borgtocht ter zake van een toekomstige uitgave een passiefpost kan worden gevormd indien die uitgave haar oorsprong vindt in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend, en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zal voordoen. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat, naar de Hoge Raad verstaat, voor het geval in het onderhavige jaar ter zake van de borgstelling een bedrag ten laste van het inkomen zou kunnen komen, aan het onderhavige jaar een bedrag van € 25.000 is toe te rekenen, kan belanghebbende een voorziening vormen in de zojuist bedoelde zin en is de beslissing waartoe het Hof is gekomen, juist.
Literatuur
BNB2013/12, dat de tbs-regeling aanvangt alvorens daadwerkelijk een vermogensbestanddeel ter beschikking wordt gesteld, strijdt met het bepaalde in artikel 3.92 Wet IB 2001. Ik wijs op de volgende citaten:
Alhoewel bestendiging van de lijn uit HR NTFR 2012/684 voor de praktijk zeer wenselijk is, heb ik wel moeite om de redenering van de Hoge Raad (civielrechtelijk) nog sluitend te krijgen. Volgens het civiele recht ontstaat de vordering – en dus de terbeschikkingstelling – pas op het moment van de betaling aan de crediteur. Zoveel lijkt toch wel uit HR RvdW 2012/534 te moeten worden afgeleid. Eerder is het naar mijn mening niet mogelijk een terbeschikkingstelling aan te nemen in de zin van art. 3.92, lid 1, Wet IB 2001, een werkzaamheidsbalans op te stellen en daarin een voorziening op te nemen. Op dit punt aangekomen en met deze vraag in het achterhoofd, lees ik in de overwegingen van de Hoge Raad niet terug ‘waarom’ – niettegenstaande het duidelijke arrest van de civiele kamer HR RvdW 2012/534 – direct sprake is van een werkzaamheid. Ook bij herhaalde lezing van r.o. 3.4, kan ik niet anders concluderen dan dat de Hoge Raad vrij omstandig de relatie tussen de verplichtingen jegens de crediteur, de regresvordering en de verplichtingen jegens de hoofdschuldenaar benadrukt in het kader van de borgstellingsverhouding, maar dat hierin ten aanzien van het (eerdere) tijdstip van het ontstaan van de werkzaamheid geen overtuigend argument valt te lezen.
In zijn annotatie in BNB 2012/188 geeft Heithuis aan dat de Hoge Raad een eigen fiscale kwalificatie heeft gevolgd en dat de uitkomst in die zaak niet zou veranderen, indien de civielrechtelijke koers uit HR RvdW 2012/534 zou worden gevolgd. Gezien de uitkomst in (ook) deze zaak, denk ik dat dit de enige verklaring is. Een andere verklaring zie ik eenvoudigweg ook niet. Ik teken daarbij wel aan dat de Hoge Raad met deze eigen fiscale kwalificatie duidelijk – en zonder dragende motivering – lijkt af te wijken van de civielrechtelijke insteek die in een aantal andere tbs-zaken nog zo nauwkeurig werd gevolgd (zie o.a. HR 18 december 2009, nr. 08/00669, NTFR 2010/82 en HR 15 januari 2010, nr. 07/13025, NTFR 2010/134, beide met commentaar van ondergetekende).
BNB2012/188 volgt dat deze voorziening wordt gevormd voor een verwachte betaling op basis van de borgstelling, in combinatie met een verwachte onvolwaardige regresvordering. [36]
BNB2013/12 nog sprake is van een voorwaardelijke regresvordering: [37]
BNB2012/188,
FED2012/53 met mijn noot en wordt door de Hoge Raad ook aangehaald in de voorliggende casus. Een borgstelling behoort onmiddellijk tot het resultaatsvermogen als voorwaardelijke schuld en de regresvordering als voorwaardelijke vordering. Uitdrukkelijk werd in dat arrest overwogen dat dit alleen het geval is indien de borgstelling onder zakelijk voorwaarden is aangegaan. Zo niet, dan vindt afwikkeling plaats in de aanmerkelijk belangsfeer.
Heithuisonder verwijzing naar het arrest HR
BNB2012/188 dat het verlies dat in een eerder jaar dan waarin de regresvordering ontstaat in aanmerking wordt genomen, geen verlies uit hoofde van de regresvordering is, maar een verlies uit hoofde van de aansprakelijk- respectievelijk borgstelling. [40]
13.3.4 Voorziening
Heithuiseen aantal voorbeelden met journaalposten opgenomen van de wijze waarop ingeroepen borgstellingen boekhoudkundig zouden (moeten) worden verwerkt. Hij overweegt onder meer: [44]
6.Beschouwing
Heithuisin
BNB2012/188 (in deze conclusie opgenomen in onderdeel 5.32) steun voor de opvatting dat geen sprake is van vrijval van de schuld aan de Bank, maar van een vrijval van de in 2010 gevormde voorziening.
BNB2012/188 besliste de Hoge Raad dat een regresvordering uit hoofde van een zakelijke borgstelling een werkzaamheid is als bedoeld in artikel 3.92, lid 2, Wet IB 2001, en dus behoort tot het werkzaamheidsvermogen van de aanmerkelijk-belanghouder. [46] Hetzelfde geldt voor de met deze regresvordering rechtstreeks samenhangende betalingsverplichting van de borgsteller aan de crediteur.
LJNBU3784). [47] De regresvordering kan in die visie ook niet eerder tot het vermogen van de borg behoren dan op het moment waarop de borgsteller een betaling verricht.
BNB2012/188). Dat dit ook na het door de Civiele kamer gewezen arrest van 6 april 2012 nog de visie van de Belastingkamer is, volgt uit het na deze datum door de Belastingkamer gewezen arrest HR
BNB2013/12. [48] Dat de regresvordering op dat moment civielrechtelijk nog niet bestaat, staat hieraan aldus het arrest niet in de weg. [49]
BNB2012/188 (r.o. 3.3.3) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, mits aan de voorwaarden uit het Baksteenarrest (HR
BNB1998/409) wordt voldaan, fiscaalrechtelijk in een jaar voorafgaande aan de betaling uit hoofde van de borgtocht een passiefpost kan worden gevormd ter zake van de toekomstige uitgave. [50]
BNB1998/409) [52] vormt het sluitstuk van een ontwikkeling waarbij de mogelijkheid om op de fiscale balans een voorziening te treffen is losgemaakt van de eis van het bestaan van een civielrechtelijke rechtsverhouding.
BNB2012/188 [54] was ik ook van een andere zienswijze uitgegaan.