Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1659

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1488 t/m 24/1493
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 21 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen box 3-heffing inkomstenbelasting over 2015-2020 wegens vermeende individuele en buitensporige last

Belanghebbende heeft voor de jaren 2015 tot en met 2020 aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) ontvangen waarbij belasting is geheven over het voordeel uit sparen en beleggen (box 3). Hij stelde dat de box 3-heffing voor de jaren 2015-2019 een individuele en buitensporige last opleverde in strijd met artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM, omdat het forfaitaire rendement hoger was dan het werkelijke rendement en hij op zijn vermogen moest interen.

De rechtbank Gelderland wees het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat voor de jaren 2015-2017 de box 3-heffing lager was dan het werkelijke rendement, zodat geen sprake was van een buitensporige last. Voor 2018 en 2019 was de heffing hoger dan het werkelijke rendement, maar het gezamenlijke besteedbaar inkomen van belanghebbende en zijn partner, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen van de eigen woning, maakte dat geen individuele en buitensporige last ontstond.

Voor het jaar 2020 werd het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.732. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van in totaal € 4.670. De uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor 2020 met vermindering van de aanslag, maar afgewezen voor 2015-2019 wegens ontbreken van een individuele en buitensporige last.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1488 tot en met 24/1493
uitspraakdatum: 17 maart 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juni 2024, nummers ARN 23/3420 en 23/3476 tot en met 23/3480, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2020 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd waarbij onder meer belasting is geheven over een voordeel uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3). De Inspecteur heeft voor de jaren 2015 tot en met 2019 bij beschikking de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen in de IB/PVV afgewezen (hierna: de beschikkingen).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de beschikkingen alsmede tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.
1.6.
Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingestuurd.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Alle zaken zijn ter zitting met instemming van partijen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. S.P.R. Steinmaier, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [naam1] , alsmede mr. [naam2] en mr. [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum1] en gehuwd met [naam4] , geboren op [geboortedatum2] (hierna: de partner).
2.2.
Belanghebbende is eigenaar van de eigen woning (box 1) aan de [adres1] te [woonplaats] (hierna: de eigen woning). De eigenwoningschuld ter zake van deze woning is nihil. De WOZ-waarden van de eigen woning zijn bij beschikking door de heffingsambtenaar als volgt vastgesteld:
Belastingjaar
WOZ-waarde
2015
€ 486.000
2016
€ 475.000
2017
€ 475.000
2018
€ 500.000
2019
€ 710.000
2020
€ 760.000
2.3.
De (binnenlandse) banktegoeden van belanghebbende en de daarop ontvangen rente voor de onderhavige jaren bedragen:
Jaar
Saldo per 1/1
Rente bijschrijving 1/1
2015
€ 5.561.147
€ 71.273
2016
€ 5.653.749
€ 49.332
2017
€ 4.904.239
€ 24.745
2018
€ 4.406.149
€ 9.431
2019
€ 3.787.270
€ 5.407
2020
€ 4.258.340
€ 4.769
2.4.
Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren effectenrekeningen en langlopende spaardeposito’s, en was (middellijk) aandeelhouder (aanmerkelijk belang) van een aantal vennootschappen.
2.5.
Belanghebbende heeft een krachtens erfrecht verkregen niet opeisbare vordering op zijn moeder. De – in box 3 gedefiscaliseerde – vordering wordt elk jaar verhoogd met 6% rente. De waarden van de vordering zijn op de relevante peildata als volgt:
Peildatum
Waarde
1 januari 2015
€ 145.343
1 januari 2016
€ 154.064
1 januari 2017
€ 163.307
1 januari 2018
€ 173.106
1 januari 2019
€ 183.492
1 januari 2020
€ 194.502
2.6.
Op 2 juli 2015 heeft belanghebbende voor een bedrag van € 81.580 uit een erfenis van familie een perceel landbouwgrond van 1.23.85 hectare gekocht.
2.7.
Op 7 september 2017 heeft belanghebbende een woning gelegen aan de [adres2] te [plaats] (hierna: de tweede woning) gekocht voor € 584.250. Deze tweede woning behoort tot het box 3-vermogen en wordt niet verhuurd. Op 24 december 2019 heeft belanghebbende een stuk grond gekocht van 493 m² voor € 144.716, dat als extra tuin dient en tot het WOZ-object van de tweede woning wordt gerekend. De WOZ-waarden van de tweede woning zijn bij beschikking door de heffingsambtenaar als volgt vastgesteld:
Belastingjaar
WOZ-waarde
2017
€ 530.000
2018
€ 570.000
2019
€ 580.000
2020
€ 659.000
2.8.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2015 tot en met 2020, overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften, aanslagen in de IB/PVV opgelegd, waarbij onder meer belasting is geheven over het box 3-inkomen. Het gehele box 3-inkomen is toegerekend aan belanghebbende. De aanslagen zijn opgelegd met de volgende dagtekeningen en berekend naar de volgende forfaitaire box 3-inkomens en box 3-heffingen.
Jaar
Dagtekening
Box 3-inkomen
Box 3-heffing (30%)
2015
27 oktober 2017
€ 246.144
€ 73.843
2016
10 november 2017
€ 252.145
€ 75.643
2017
12 juni 2018
€ 307.150
€ 92.145
2018
1 juni 2019
€ 304.936
€ 91.480
2019
2 oktober 2020
€ 267.348
€ 80.204
2020
3 september 2021
€ 252.830
€ 75.849
2.9.
Belanghebbende heeft (ruim) ná het onherroepelijk worden aan de aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2019 verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen ingediend. De Inspecteur heeft bij beschikking deze verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen. Tevens heeft belanghebbende op 14 oktober 2021, dus tijdig, bezwaar gemaakt tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020. De aanslag voor het jaar 2020 is naar aanleiding van de collectieve uitspraak op bezwaar van 4 februari 2022 (Staatscourant 2022, 4198) bij verminderingsbeschikking van 23 december 2022 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.542.
2.10.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de beschikkingen alsmede tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 ongegrond verklaard.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 tot en met 2019 terecht zijn afgewezen. Het geschil spitst zich toe tot de vraag of belanghebbende door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP Pro). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.2.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat het voordeel uit box 3 voor het jaar 2020 dient te worden verminderd tot € 1.732, zodat de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2020 moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.732. In zoverre is het hoger beroep gegrond.
3.3.
Partijen hebben de door hen in de stukken bepleite werkelijke rendementen (zoals afgestemd ter zitting van het Hof) voor de betreffende jaren als volgt berekend (bedragen in euro’s en cursief de bedragen die in geschil zijn):
2015
2016
2017
2018
2019
Insp
Blh
Insp
Blh
Insp
Blh
Insp
Blh
Insp
Blh
Rente
71.273
49.332
49.332
24.745
24.745
9.431
9.431
5.407
5.407
4.769
Opbrengst beleggingen
22.18
22.18
24.705
24.705
35.791
35.791
24.505
24.505
4.208
4.208
Correctie meegekochte rente in 2014
-/-12.330
Waardemutatie beleggingen
6.803
6.803
10.211
10.211
24
24
-/-10.937
-/-10.937
39.632
39.632
Pachtinkomsten
400
400
800
800
800
800
800
800
800
800
Waardemutatie landbouwgrond
2
-/-
19.628
Waardemutatie tweede woning
12.712
12.712
10
10
79
-/-
65.716
Werkelijk rendement
102.656
46.757
85.048
60.461
98.048
82.734
33.799
29.775
129.047
-/-16.307

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat heffing over zijn box 3-inkomen in de jaren 2015 tot en met 2019 een schending oplevert van artikel 1 EP Pro, omdat hij wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Daartoe voert belanghebbende aan dat het door hem behaalde werkelijke rendement op het aan die heffing onderworpen vermogen in elk van de jaren minder is dan de – forfaitair berekende – box 3-heffing en dat hij op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde box 3-heffing te kunnen voldoen. Voor elk jaar heeft belanghebbende een berekening (zie 3.3) overgelegd. Volgens belanghebbende mag bij de beoordeling daarvan het overige vermogen geen rol spelen omdat anders feitelijk sprake is van een vermogensheffing. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, voor het eerst en in weerwil van de overgelegde berekeningen, voorts betoogd dat aan het hiervoor bedoelde ‘werkelijke rendement’ niet de (nadere) invulling mag worden gegeven die de Hoge Raad eraan heeft gegeven in zijn arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (Kerstarrest), en de daaropvolgende arresten, omdat deze arresten dienen te worden beschouwd als zogenoemde ‘nieuwe jurisprudentie’. Volgens belanghebbende moet voor elk van de jaren gekeken worden naar het begrip ‘werkelijke rendement’ zoals dat gold ten tijde van het onherroepelijk worden van de opgelegde aanslagen. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd betwist.
4.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047 (hierna: het arrest van 2 juli 2021), het volgende geoordeeld:
“4.3.2 Belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP Pro bij het EVRM. Artikel 1 EP Pro bij het EVRM brengt mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (fair balance) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe.[…]
4.3.3
Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.[…] De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van IB/PVV leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijke rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last.”
Werkelijk rendement
4.3.
Anders dan belanghebbende voorstaat, is het Hof van oordeel dat voor de uitleg van het begrip ‘werkelijk rendement’ alle jurisprudentie van de Hoge Raad in aanmerking moet worden genomen, dus ook de arresten die vanaf het zogenoemde Kerstarrest zijn gewezen.
Op 1 januari bijgeschreven rente
4.4.
Wat betreft de hoogte van het werkelijke rendement houdt partijen voor alle jaren allereerst de vraag verdeeld in welk jaar de op 1 januari van het volgende jaar bijgeschreven rente, die is gerijpt in het daaraan voorafgaande jaar, in aanmerking dient te worden genomen. Naar het oordeel van het Hof is de rente pas op 1 januari, het moment van de bijschrijving, ontvangen en behoort deze daarom tot het werkelijke rendement van dat jaar. Dat de rente reeds vorderbaar was in het jaar waarin de rente is gerijpt, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Dat bij tussentijdse opheffing van een bankrekening de tot dat moment opgebouwde rente uitbetaald zal worden, betekent niet dat rente bij voortzetting van een bankrekening in het lopende jaar reeds vorderbaar was. Evenmin is gesteld of gebleken dat de rente in het voorafgaande jaar verrekend is of rentedragend is geworden.
Waardedaling landbouwgrond
4.5.
Voor het jaar 2015 is voorts in geschil of belanghebbende een ongerealiseerde negatieve waardeverandering ad € 19.655 (= € 81.580 -/- € 61.925) heeft behaald van de landbouwgrond. Belanghebbende stelt dat hij de grond op 2 juli 2015 heeft gekocht uit een erfenis van familie voor een hogere prijs dan de waarde in het economische verkeer, zodat de waardering per 31 december 2015 op de waarde in het economische verkeer leidt tot een negatief rendement over 2015. De Inspecteur heeft hier tegenovergesteld dat de (door de Belastingdienst gepubliceerde) normwaarden per hectare landbouwgrond laten zien dat in het jaar 2015 een waardestijging heeft plaatsgevonden van € 4.000 (€ 70.100 -/- 66.300), voor de helft van het jaar te bepalen op € 2.000. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de landbouwgrond sinds de aankoop een negatieve waardeverandering heeft ondergaan van € 19.655. Het andere geschilpunt voor dit jaar, te weten de verwerking van de meegekochte rente uit 2014, behoeft gelet op de cijfermatige uitkomst van het voorgaande geen behandeling meer.
Waardedaling tweede woning
4.6.
Voor het jaar 2019 stelt belanghebbende primair een ongerealiseerde waardeverandering van de tweede woning van negatief € 65.716 (= € 659.000 -/- € 580.000 -/- € 144.716), en subsidiair van negatief € 26.995 (= € 659.000 -/- € 580.000 -/- € 105.995). Wat betreft zijn primaire standpunt, stelt belanghebbende dat rekening moet worden gehouden met het eind 2019 gekochte (extra) perceel van 493 m² door de gehele aankoopprijs ad € 144.716 van de WOZ-eindwaarde af te trekken. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat in de eindwaarde, te weten de WOZ-waarde van het jaar 2020 ad € 659.000, een bedrag van € 105.995 zit dat kan worden toegerekend aan het gekochte perceel. Belanghebbende heeft hiertoe onder meer verwezen naar de ‘taxatiekaart woningen’ van de gemeente van de betreffende onroerende zaak, waarin het gekochte perceel is getaxeerd op € 105.995, en naar de correspondentie met de taxateur van de gemeente waaruit volgt dat bij de waardebepaling als toestandsdatum 1 januari 2020 is gehanteerd. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij deze toestandsdatum niet (meer) betwist, maar dat hij een waardedaling toch niet aannemelijk acht, omdat het hem niet logisch lijkt dat de woning in waarde is gedaald. Belanghebbende heeft gesteld dat deze waardedaling verband houdt met onverzekerde heischade.
4.7.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn primaire standpunt, omdat dit niet aansluit bij de in HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1879, bepaalde systematiek. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende wel aannemelijk gemaakt dat de tweede woning een waardeverandering heeft ondergaan van € 26.995 (subsidiaire standpunt). Belanghebbende is hierbij uitgegaan van de WOZ-waarden van de onroerende zaak (“de t-1-berekening”) en heeft daarbij rekening gehouden met de aankoop van het perceel (conform de systematiek zoals volgt uit HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1879). Het Hof acht, gelet op de taxatiekaart, aannemelijk dat het deel van de eindwaarde dat kan worden toegerekend aan het aangekochte perceel € 105.995 bedraagt en bij de bepaling van het werkelijke rendement buiten beschouwing dient te worden gelaten. De Inspecteur heeft onvoldoende aangevoerd om te komen tot een ander oordeel.
Box 3-heffing lager dan werkelijk rendement (2015 t/m 2017)
4.8.
Het voorgaande leidt – cijfermatig – tot de conclusie dat voor de jaren 2015 tot en met 2017 de box 3-heffing lager is dan het werkelijke rendement. Voor die jaren wordt belanghebbende reeds om die reden niet geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.
Interen op het vermogen (2018 en 2019)
4.9.
Omdat voor de jaren 2018 en 2019 de box 3-heffing (2018: € 91.480, 2019: € 80.204) hoger is dan het werkelijke rendement (2018: € 33.799, 2019: € 23.052) dient te worden beoordeeld of en in hoeverre belanghebbende in deze jaren een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. Partijen hebben ter zitting van het Hof eenparig verklaard dat onder ‘inkomen’ in het arrest van 2 juli 2021 dient te worden verstaan het gezamenlijke inkomen van belanghebbende en zijn partner waarbij rekening wordt gehouden met de verschuldigde belasting van beide partners. Het Hof sluit zich hierbij aan. Tussen partijen is niet in geschil dat daarbij, behoudens wat betreft de in geschil zijnde hoogte van het werkelijke rendement, kan worden uitgegaan van de overzichten in de conclusie van repliek van belanghebbende van 3 april 2025 (zie daar 5.7 en 6.10).
4.10.
Gelet op het voorgaande bedraagt het gezamenlijke besteedbaar inkomen over de jaren 2018 en 2019 als volgt:
2018
2019
Box 1-inkomen belanghebbende
€ 51.847
€ 51.547
Box 1-inkomen partner
€ 35.556
€ 27.261
Box 3-inkomen
€ 33.799
€ 23.052
Totaal inkomen
€ 121.202
€ 101.860
Heffing IB/PVV belanghebbende
€ 111.220
€ 99.185
Heffing IB/PVV partner
€ 9.066
€ 6.297
Besteedbaar inkomen
€ 916
-/- € 3.622
4.11.
Het negatieve verschil tussen het besteedbaar inkomen van belanghebbende en zijn partner en de voor het betreffende jaar geldende bijstandsnorm voor gehuwden (artikel 21 Participatiewet Pro) bedraagt voor 2018 € 16.130 (= € 916 -/- € 17.046) en voor 2019 € 21.245 (= -/- € 3.622 -/- € 17.623).
4.12.
De Inspecteur heeft gesteld dat ondanks dit negatieve verschil, gelet op de gehele financiële situatie van belanghebbende en zijn partner, geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Hij heeft daartoe aangevoerd dat (i) de woningen van belanghebbende vrij van hypotheek zijn, (ii) de waarde van de box 1- woning onbelast is toegenomen, (iii) er sprake is van een – in box 3 vrijgestelde – met 6% renderende vordering, (iv) belanghebbende voldoende liquide vermogen heeft, en (v) er stille reserves aanwezig zijn in de vennootschappen waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het enkel hebben van vermogen (ongeacht in welke vorm of in welke box) niet een omstandigheid is die ertoe leidt dat geen sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last. Als dat namelijk het geval zou zijn, zo betoogt belanghebbende, is feitelijk sprake van een vermogensheffing in box 3 in plaats van een vermogensrendementsheffing.
4.13.
Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Voor de beoordeling daarvan moet namelijk de gehele financiële situatie van belanghebbende en zijn partner in ogenschouw worden genomen. Het Hof neemt dan met name in aanmerking dat de eigen woning (box 1) in beide jaren een ongerealiseerde waardeverandering ondergaat, waarbij het Hof het verschil tussen de WOZ-waarden aan het begin en aan het eind van het jaar in aanmerking neemt op de wijze als geldt voor woningen in box 3 (de hiervoor genoemde “t-1-berekening”). Voor het jaar 2018 is de aldus berekende positieve waardeverandering van de eigen woning € 210.000 (= € 710.000 -/- € 500.000) en voor het jaar 2019 € 50.000 (= € 760.000 -/- € 710.000). Daarbij merkt het Hof op dat deze waardeveranderingen ruimschoots de onder 4.11 genoemde negatieve verschillen overtreffen. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat belanghebbende, door het betalen van de box 3-heffing, ook voor de jaren 2018 en 2019 niet in een zodanige bijzondere positie is gekomen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Anders dan belanghebbende betoogt, betekent het voorgaande niet dat de box 3-heffing feitelijk is verworden tot een vermogensheffing. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
SlotsomOp grond van het vorenstaande (zie 3.2) is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335 voor de kosten in eerste aanleg (2,5 punten (beroepschrift, conclusie van repliek, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934) en € 2.335 voor de kosten in hoger beroep (2,5 punten (hogerberoepschrift, conclusie van repliek, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), ofwel in totaal op € 4.670. Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de werkelijke kosten. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden, van in vergaande mate onzorgvuldig handelen aan de zijde van de Inspecteur of van tegen beter weten in procederen door de Inspecteur.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover deze ziet op de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020,
– vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020,
– vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.751 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.732,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.670,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de betaalde griffierechten vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (G.B.A. Brummer)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.