Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, een besluit genomen waarin werd verklaard dat “
all state property (of the state of Ukraine) and all abandoned property located in the Republic of Crimea shall be considered the property of the Republic of Crimea” (hierna: het Nationalisatiebesluit). Op 3 september 2014 is het Nationalisatiebesluit gewijzigd en is de zinsnede “
as well as the property listed in the [Annex] to this decree” toegevoegd na de zinsnede “
in the Republic of Crimea”. Deze bijlage bij het Nationalisatiebesluit is vervolgens een aantal malen uitgebreid zodat het besluit uiteindelijk ook de bezittingen van Everest c.s. op de Krim omvatte.
Agreement between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the encouragement and mutual protection of investments)gesloten. Dit verdrag, dat op 27 januari 2000 in werking is getreden, voorziet onder meer in bescherming van investeringen (
investments), gedaan door investeerders van de ene lidstaat op het grondgebied (
territory) van de andere lidstaat. De authentieke taalversies van het BIT 1998 zijn in het Russisch en het Oekraïens.
Article 1
Notice of Arbitrationuit te brengen aan de Russische Federatie. Zij lieten daarbij weten wie zij als arbiter benoemden. Omdat de Russische Federatie geen eigen arbiter benoemde, hebben Everest c.s. bij brief van 21 juli 2015 de secretaris-generaal van het PHA verzocht een tweede arbiter te benoemen. Vervolgens is een tweede arbiter benoemd. Beide arbiters hebben vervolgens een derde arbiter als voorzitter aangezocht. De arbiters hebben Den Haag als plaats van arbitrage aangewezen.
non-disputing party submission’ ingediend, waarin Oekraïne haar standpunt over de toepasselijkheid van het BIT 1998 voor de onderhavige kwestie heeft toegelicht.
on jurisdiction) en een deel over de vorderingen zelf (
on the merits).
Decision on jurisdiction) gedaan. [2] Daarin heeft het scheidsgerecht beslist dat het scheidsgerecht bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Everest c.s.
Award on the merits) van 2 mei 2018 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat de Russische Federatie art. 5 van Pro het BIT 1998 heeft geschonden en de vorderingen van Everest c.s. toegewezen tot een bedrag van in totaal circa USD 129 miljoen, vermeerderd met rente en kosten. [3]
Decision on jurisdictionen de
Award on the meritste vernietigen. Everest c.s. hebben verweer gevoerd.
territoryin art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 wordt niet uitsluitend gedoeld op
sovereign territory.(rov. 5.4.6 e.v.)
in accordance with its legislation”), hetgeen betekent dat de rechten op het onroerend goed niet op illegale wijze mogen zijn verkregen. (rov. 5.8.2 e.v.)
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
territory) van de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, nu dat begrip niet beperkt is tot het soevereine grondgebied van de betrokken staten, maar zich ook uitstrekt tot grondgebied waarover een staat rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Het onderdeel klaagt dat het hof hiermee toepassing heeft gegeven aan het BIT 1998 in een situatie die de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag niet voorzagen, en daarmee de art. 31, 39 en 63 WVV heeft miskend.
territoryuit art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 enkel verwijst naar
sovereign territory. Daarbij heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat een verdrag op grond van art. 31 WVV Pro te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag (rov. 5.4.6). Vervolgens heeft het hof onder meer overwogen dat uit de bewoordingen van het BIT 1998 niet blijkt dat partijen de bedoeling hadden de werking van het verdrag te beperken tot het soevereine grondgebied (rov. 5.4.7-5.4.9). Een dergelijke uitleg zou volgens het hof ook niet passen bij de bedoeling van verdragspartijen, die was en is om investeringen over en weer op hun grondgebieden aan te moedigen en te beschermen (rov. 5.4.13-5.4.16). Het hof is tot de slotsom gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag, en dat daaraan niet afdoet dat partijen de huidige feitelijke situatie destijds niet hebben voorzien, nu het erop aankomt wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan (rov. 5.4.19). Hiermee heeft het hof kenbaar toepassing gegeven aan de in art. 31 WVV Pro neergelegde regel van verdragsuitleg en ook overigens geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van die bepaling of enige andere bepaling uit dat verdrag, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven. De klacht faalt daarom.
investmenten
investoris voldaan.”
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
6 december 2024.