ECLI:NL:HR:2021:117
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad herberekent proceskostenvergoeding in belastingzaak tegen Staatssecretaris van Financiën
Belanghebbende had in hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland een verzoek gedaan tot veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten. Het Gerechtshof Amsterdam had bij uitspraak van 13 februari 2020 de proceskostenvergoeding vastgesteld op basis van een puntwaarde van €512, terwijl volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht per 1 januari 2020 een waarde van €525 per punt geldt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het lagere tarief heeft toegepast en vernietigt het arrest voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De Hoge Raad berekent de vergoeding opnieuw, waarbij het tarief van €534 per punt geldt op het moment van het arrest. De vergoeding voor het hoger beroep wordt vastgesteld op €627,59 en voor het beroep op €340,74.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op €2.136 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De overige klachten van belanghebbende worden niet behandeld omdat ze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de proceskostenvergoeding betreft en stelt de vergoeding opnieuw vast op €627,59 voor het hoger beroep en €340,74 voor het beroep.