Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te Eindhoven,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 mei 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de Gemeente Eindhoven een aanvullende billijke schadeloosstelling moest betalen aan de erfgenamen van een onteigende eigenares vanwege het niet tijdig starten van werkzaamheden binnen drie jaar na het onteigeningsvonnis. De erfgenamen vorderden primair teruglevering van het onteigende en subsidiair een aanvullende schadeloosstelling op grond van artikel 61 Ow Pro.
De rechtbank kende de vordering tot teruglevering toe op grond van onrechtmatige daad, maar het hof vernietigde dit oordeel en wees teruglevering af. Het hof oordeelde dat de aanvullende schadeloosstelling wel toekwam, maar stelde vast dat de vertraging beperkt was en het niet opzettelijk was, zodat geen vergoeding werd toegekend. De Hoge Raad bevestigde dat de billijke schadeloosstelling geen punitief karakter heeft, maar wel een prikkelfunctie vervult om onnodige of ontijdige onteigeningen te voorkomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de hoogte van de schadeloosstelling moet worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden, waaronder de duur en oorzaak van de vertraging en eventuele waardestijgingen. In deze zaak was geen sprake van waardestijging en onvoldoende onderbouwing voor andere schade. Ook werd bevestigd dat het hof terecht niet uitging van een fictie van teruglevering en heronteigening bij de waardebepaling. Het cassatieberoep werd verworpen en de eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en er wordt geen aanvullende billijke schadeloosstelling toegekend.