Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
tegemoetkomingis wegens de stoornis in de eigendom, die achteraf bezien nodeloos blijkt, en (2) dat de mogelijkheid van het toekennen van zo’n tegemoetkoming een
prikkelis voor de onteigenende partij om met de grootste voorzichtigheid te werk te gaan.
geen schadevergoeding. Zij is volgens de Memorie van Antwoord wel een tegemoetkoming voor de opoffering die de onvrijwillige eigendomsontneming voor de onteigende in de meeste gevallen is. Dit is niet wezenlijk anders dan volgens de Memorie van Toelichting (zie hiervoor): de onteigening was voor de eigenaar een opoffering, omdat zij hem in het genot van de onroerende zaak stoorde. Dat de werkelijke waarde van de zaak aan hem is vergoed, neemt dat niet weg.
essentieel alternatief voor restitutieis, omdat door verandering van omstandigheden en de besteding door de onteigende van de door hem ontvangen schadeloosstelling, die restitutie voor de onteigende veelal geen begaanbaar spoor is. Voor het overige bevestigt de passage ons in de bevinding dat de billijke aanvullende schadeloosstelling, evenmin als de restitutieaanspraak, niet berust op de gedachte dat de schadeloosstelling voor de onteigening onvoldoende zou zijn geweest, maar dat zij een tegemoetkoming is voor wat nu wordt geformuleerd als een gemis door de onteigende van het hem ontnomen goed, waarbij moet worden afgezien van het gemis van de waarde, die hem immers reeds is vergoed.
het peilmoment van de onteigening.Omdat achteraf bezien de onteigening onnodig, althans ontijdig heeft plaatsgevonden, is dat peilmoment niet meer beslissend. Vergeleken behoort te worden met de situatie dat de onteigening niet zou hebben plaatsgevonden, respectievelijk op een later moment. Die vergelijking kan wel degelijk tot de conclusie leiden dat de onteigende als gevolg van de onnodige respectievelijk ontijdige onteigening concrete schade heeft geleden.
compensatievoor een door de onteigende misgelopen waardevermeerdering mag ons niet doen vergeten dat zij – het volgt overduidelijk uit de wetsgeschiedenis – tot zulke compensatie allerminst is beperkt. De formulering dat zij een ‘schadeloosstelling’ is, zet ons gemakkelijk op het verkeerde been. Mijns inziens zou het gelukkiger zijn om te spreken van een ‘vergoeding naar billijkheid’ of een ‘door de rechter naar billijkheid te bepalen bedrag’. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke aanvullende schadeloosstelling kan rekening worden gehouden met elementen van concreet geleden schade, misgelopen voordeel daaronder begrepen. Daarnaast moet echter worden gelet op het karakter van de vergoeding als tegemoetkoming voor de ontijdige of onnodige onteigening en behoort de vergoeding bovendien op een zodanig bedrag te worden bepaald, dat daarvan een prikkel uitgaat voor toekomstige gevallen (hiervoor onder 3.6 en 3.7). Dat de afwezigheid van vermogensschade – en dus ook de afwezigheid van een waardestijging die de onteigende als gevolg van de onteigening is misgelopen – géén reden is om de vergoeding op nihil te stellen, volgt uit het karakter van de vergoeding als tegemoetkoming en uit de prikkel-functie ervan. Het volgt daarnaast ook meer rechtstreeks uit de wetsgeschiedenis, omdat de wetgever juist uitging van het geval dat de onteigende géén vermogensschade als gevolg van de ontijdige of onnodige onteigening heeft geleden (hiervoor onder 3.8 en 3.9).
genoegdoening, bedoel ik tot uitdrukking te brengen dat een symbolisch bedrag van bijvoorbeeld een promille van de oorspronkelijk ontvangen schadeloosstelling, onmogelijk als passend zal kunnen gelden, ook niet in het geval door de onteigende geen enkele concrete schade is geleden. [25]
mededienen als compensatie daarvoor. Vindt deze duiding van de billijke aanvullende schadeloosstelling ook steun in de literatuur? In ieder geval op onderdelen doet zij dat zeker.
primair(vergelijk hierna) berust op de opvatting dat de billijke aanvullende schadeloosstelling in ieder geval mede is bedoeld als een boete voor de onteigenaar. [34] Mijns inziens gaat dat te ver. Vergelijk hiervoor onder 3.24. De steller van het middel wijst wat betreft het beweerde punitieve karakter van de billijke aanvullende schadeloosstelling van art. 61 Ow Pro op art. 54q Ow, volgens welke het niet tijdig doen inschrijven van een vervroegde uitspraak van de onteigening de onteigende recht geeft op een gefixeerde schadeloosstelling van 10% van het voorschot dan wel de schadeloosstelling, dan wel volledige schadevergoeding. Naar mijn mening is deze vergelijking reeds niet overtuigend omdat de 10% niet is verschuldigd bovenop de werkelijke schade. Van een boete in een enigszins eigenlijke zin is dus geen sprake. Daarnaast geldt dat de schadeloosstelling van art. 54q Ow wezenlijk anders is vormgegeven dan de billijke aanvullende schadeloosstelling van art. 61 Ow Pro, die geen fixatie kent, maar voor de hoogte naar de billijkheid verwijst. Ook dat doet aan de overtuigingskracht van de vergelijking afbreuk.
subsidiairberust op de juiste rechtsopvatting dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke aanvullende schadeloosstelling van art. 61 Ow Pro erop dient te worden gelet dat van die schadeloosstelling een prikkel voor onteigenende partijen uitgaat om met de grootste voorzichtigheid te werk te gaan, en dat daarom het bedrag van die schadeloosstelling geen directe relatie behoeft te hebben met concreet geleden schade. Dat de klacht subsidiair inderdaad zo is bedoeld, volgt mijns inziens onder meer uit de herhaalde verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 96 Ow Pro (oud) [35] en het herhaald gebruik van de aanduiding ‘prikkel’ als alternatief van de aanduiding van ‘schadeloosstelling met een punitief karakter’.
Omdatdie volgens het hof ontbreken, zowel wat betreft een waardestijging van de onroerende zaak in een relevante periode (rechtsoverwegingen 5.8.3 tot en met 5.8.25) als wat betreft een verhoging van de reeds bestaande hinder en ergernis als gevolg van de onteigening (rechtsoverweging 5.9.2, door het hof in rechtsoverweging 5.10 ietwat ongebruikelijk aangeduid als ‘de hoeveelheid eigen werk’),
moetin de kennelijke opvatting van het hof de billijke aanvullende schadeloosstelling op nihil worden gesteld (rechtsoverweging 5.10). Dat is onverenigbaar met de bedoelde prikkel-functie. In verband met die functie behoort een (in de onderhavige zaak) ontijdige eigendomsontneming niet zonder gevolgen te blijven, en dient – ook zonder door de onteigende onderbouwd gestelde aanknopingspunten voor concreet geleden schade – de naar billijkheid vast te stellen vergoeding op een zodanig bedrag te worden gesteld dat zij met het oog op toekomstige gevallen voor onteigenaars tot een aansporing kan dienen. De klacht, in haar subsidiaire variant, treft doel.
tekstvan rechtsoverweging 4.10.1 van het tussenarrest. [36] Weliswaar zegt de steller van het middel óók dat een oordeel volgens welke veroordeling tot betaling van een billijke aanvullende schadeloosstelling dient te volgen, hoewel over concreet geleden schade nog niet uitvoerig is gedebatteerd, zich ‘prima’ verhoudt met de rechtsopvatting waarvan de rechtsklacht uitgaat, [37] maar het gaat enigszins ver om daarin een aanvullende motiveringsklacht te lezen, waarvan het aangrijpingspunt
nietde tekst van rechtsoverweging 4.10.1 van het tussenarrest is. Bij het voorgaande komt dat een klacht in de bedoelde zin niet werkelijk toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de hiervoor besproken rechtsklacht van het onderdeel. Ook daarom houd ik het erop dat de motiveringsklacht doel mist.
wasgerealiseerd en het hof kwam tot die conclusie op basis van de in de procedure destijds aangedragen gegevens; de laatste proceshandeling vond destijds plaats in mei 2009. Dat betekent dat in geen geval van een later tijdstip dan mei 2009 zou moeten worden uitgegaan.
verplichtalternatief, want voorgeschreven door de regel dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt.
nieteen eventueel naar dat moment aanwezige verwachting van civiel medegebruik. Dit terwijl die eventuele verwachting uiteraard de wérkelijke werkelijke waarde wel degelijk beïnvloedt.
onderdeel Dbehoeft geen bespreking.