Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 februari 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De man en vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding dat nooit is uitgevoerd. Na echtscheiding vordert de man betaling van de helft van de overwaarde van de aan de vrouw toebehorende woning, primair op grond van een verrekening alsof algehele gemeenschap van goederen bestond, subsidiair op basis van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro.
De rechtbank kende de man een bedrag toe, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat verrekening op grond van art. 9 alleen Pro geldt indien beide partijen dit wensen. Het hof stelde dat verrekening nu moet plaatsvinden op basis van het bewijsvermoeden van art. 1:141 BW Pro, met peildatum het verzoekschrift tot echtscheiding.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro onjuist heeft toegepast door de bewijslast onterecht bij de man te leggen. Het hof had de vrouw moeten laten aantonen dat de woningwaarde niet uit te verrekenen inkomsten is gevormd. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak voor verdere behandeling terug vanwege onjuiste toepassing bewijsvermoeden art. 1:141 lid 3 BW.