ECLI:NL:GHDHA:2020:1864
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsvermoeden en verrekening huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een uitsluiting van gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding dat tijdens het huwelijk niet is uitgevoerd. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en bepaalde onder meer de verrekening van saldi en de waarde van een spaarverzekering (Robein-polis).
De man kwam in hoger beroep tegen de beslissing over de polis en stelde dat zijn vermogen was opgebouwd uit privévermogen, onder meer uit schenkingen en nalatenschappen, en dat de polis niet tot het verrekenbare vermogen behoorde. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man onvoldoende bewijs leverde.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro het vermoeden geldt dat het vermogen op de peildatum is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij de partij dit kan weerleggen. De man faalde hierin omdat hij onvoldoende bewijs leverde en zijn bewijsaanbod introk. Ook het incidenteel beroep van de vrouw om meer vermogen mee te verrekenen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het overige af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en rekent de waarde van de Robein-polis tot het te verrekenen vermogen.