ECLI:NL:GHSHE:2026:322

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
24/465
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 40 lid 2 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken tijdige machtiging in WOZ-zaak

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een winkelpand vastgesteld op €16.060.000 per 1 januari 2021. Na afwijzing van het bezwaar en beroep bij de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof. Het hof stelde echter vast dat het hoger beroep niet vergezeld ging van een juiste, recente machtiging van de gemachtigde, zoals vereist volgens de Algemene wet bestuursrecht.

Ondanks meerdere verzoeken en herinneringen van het hof om een geldige machtiging en een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel te overleggen, werd dit niet tijdig gedaan. De ingediende machtigingen voldeden niet aan de gestelde eisen, waardoor het hof twijfelde aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde ten tijde van het instellen van het hoger beroep.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een juiste machtiging een verzuim is dat niet binnen de gestelde termijn is hersteld. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam het niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een juiste machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/465
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 februari 2024, nummer BRE 22/5309 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) per 1 januari 2021 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Namens belanghebbende heeft [kantoornaam] tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] namens [kantoornaam] , en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Op 1 januari 2022 was belanghebbende de gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een winkelpand.
2.2.
Bij beschikking van 30 april 2022 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2021 vastgesteld op € 16.060.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd.
2.3.
Blijkens een notariële akte van levering van [datum] 2021 is de onroerende zaak verkocht door een verkoper en op die datum geleverd aan een koper. De koopsom bedroeg € 16.060.000.
2.4.
Het hoger beroep is op 10 april 2024 namens [kantoornaam] ingediend door [gemachtigde 2] . Blijkens het dossier heeft [kantoornaam] niet namens zichzelf hoger beroep ingesteld. Anders dan vermeld is bij het hoger beroepschrift geen machtiging als bijlage gevoegd.
2.5.
In het dossier dat het hof van de rechtbank heeft ontvangen, bevindt zich een schriftelijke machtiging met datum 30 mei 2022, ondertekend door [naam] namens belanghebbende, alsmede een uittreksel van de Kamer van Koophandel ten name van belanghebbende.
2.6.
Het hof heeft [kantoornaam] op 11 april 2024 een brief gestuurd:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
-
(…)
-
(…)
-
een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 9 mei 2024 te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
2.7.
[kantoornaam] heeft op de brief van 11 april 2024 gereageerd met een brief van 15 april 2024:
“Edelachtbare,
Naar aanleiding van uw brief van 11 april jl. deel ik u het volgende mee:
Per abuis zijn de in de beroepschrift genoemde bijlage 1 t/m 3 (machtiging, uitspraak van Rechtbank Zeeland-West Brabant en Pleitnota zitting in beroep) niet bij u ingediend. Excuses, ik stuur u hierbij de gevraagde bijlage 1 t/m 3.
Daarnaast verzoekt u ons om een op naam gestelde machtiging in te dienen, niet ouder dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hoger beroepschrift. De machtiging heeft geen einddatum en is daarom niet specifiek betrekking op één bepaalde belastingjaar. Ik verzoek u vriendelijk om het hoger beroepschrift in behandeling te nemen.”
Als bijlage bij deze brief van 15 april 2024 heeft [kantoornaam] een schriftelijke machtiging met datum 6 februari 2023, ondertekend door [naam] namens belanghebbende, alsmede een uittreksel van de Kamer van Koophandel ten name van belanghebbende verstrekt.
2.8.
Omdat het hof de gevraagde machtiging niet heeft ontvangen, heeft het hof [kantoornaam] op 4 maart 2025 een herinnering gestuurd:
Recente machtiging
In bovengenoemd zaaknummer heeft het hof [kantoornaam] gevraagd een nieuwe, recente machtiging (en indien van toepassing een recent Kvk–uittreksel) te overleggen; [kantoornaam] heeft het hof bericht dat zij – ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe van het hof – geen nieuwe, recente machtiging (en een recent Kvk–uittreksel) zal overleggen. De vraag of in dit zaaknummer het door u namens belanghebbende ingestelde hoger beroep ontvankelijk is, wordt te zijner tijd beoordeeld door de kamer die het hoger beroep behandelt.
Ik bericht u aanvullend als volgt.
Redenen opvragen recente machtiging (en Kvk–stukken)
U heeft in eerdere brieven betreffende andere hoger beroepen opgemerkt dat het hof niet concreet heeft gemaakt waarom een nieuwe machtiging wordt gevraagd en dat het voor u onduidelijk is op grond waarvan de oude machtiging niet voldoende is.
Onderstaand treft u meer in detail de aanleiding(en) en redenen aan waarom het hof aan [kantoornaam] een nieuwe machtiging en indien van toepassing een recent Kvk–uittreksel (hierna gezamenlijk: de nieuwe machtiging), beide niet ouder dan de in het verzoek van het hof genoemde termijn, vraagt:
-
Zoals eerder aan [kantoornaam] gemeld, vermeldt de door [kantoornaam] in bovengenoemd zaaknummer overgelegde machtiging niet voor welke beschikking en/of aanslag [kantoornaam] gemachtigd is. Dit leidt/ kan leiden tot problemen, bijvoorbeeld in geval van een intrekking van het hoger beroep dan wel (het sluiten van) compromissen voor, tijdens of na zitting. Hierdoor twijfelt het hof aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [kantoornaam] ten tijde van het instellen van het hoger beroep.
-
Jurisprudentie:
o
De uitspraak van 18 juni 2024 van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:1648), waarin het hof heeft geoordeeld dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [kantoornaam] als gemachtigde ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet meer bestond; o
o
De uitspraak van 24 september 2024 van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:2670), waarin het hof als uitgangspunt heeft genomen dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [kantoornaam] ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet (langer) bestond hetgeen het gerechtshof Amsterdam ertoe heeft gebracht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
o
De uitspraken van 26 september 2024 van hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1915, ECLI:NL:GHDHA:2024:1916 en ECLI:NL:GHDHA:2024:1917), waaruit volgt (eerstgenoemde uitspraak) dat [kantoornaam] – ondanks het ontbreken en niet overleggen van een recente machtiging – zich ten onrechte als gemachtigde heeft gesteld in hoger beroep, waarop het hof heeft geoordeeld dat [kantoornaam] geen gemachtigde is en (laatstgenoemde twee uitspraken) dat het gerechtshof [kantoornaam] heeft verzocht een op naam van [kantoornaam] gestelde machtiging in te dienen (niet ouder dan 3 maanden) en – omdat [kantoornaam] niet aan dit verzoek heeft voldaan – [kantoornaam] niet als gemachtigde heeft aangemerkt in deze hoger beroepen.
o
Het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1441) waarin de Hoge Raad het cassatieberoep dat door [kantoornaam] was ingesteld, niet–ontvankelijk verklaart vanwege het niet overleggen van een recente machtiging of verklaring van instemming.
o
De uitspraak van 10 oktober 2024 van hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024:1988).
-
Uit niets volgt dat belanghebbende op de hoogte is (gebracht) van het ingestelde hoger beroep; u heeft uw stelling niet onderbouwd met stukken. Hierdoor valt naar het oordeel van het hof – mede gelet op het voorgaande – niet uit te sluiten dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid door herroeping van de machtiging door belanghebbende is geëindigd. Graag ontvangt het gerechtshof in bovengenoemd zaaknummer alsnog de onderliggende (bewijs)stukken waaruit volgt dat belanghebbende op de hoogte is (gebracht) van het ingestelde hoger beroep.
De nieuwe machtiging
Met het vorenstaande gaat het hof ervan uit voldoende inzicht te hebben verschaft in de redenen waarom het hof [kantoornaam] om de nieuwe machtiging vraagt. Het gerechtshof biedt u een laatste mogelijkheid in bovengenoemd zaaknummer de nieuwe machtiging – let wel: inclusief recent Kvk–uittreksel –uiterlijk 31 maart 2025in te sturen. De term ‘recent’ dient u op te vatten zoals omschreven in de brief van het hof van 11 april 2024.
Als het gerechtshof op laatstgenoemde datum de gevraagde stukken niet heeft ontvangen, dan kan dat ertoe leiden dat het hoger beroep niet–ontvankelijk wordt verklaard.”
2.9.
[kantoornaam] heeft op de brief van 4 maart 2025 gereageerd met een brief van 23 april 2025. De brief bevat als bijlage een schriftelijke machtiging van 23 april 2025, ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] namens [A BV] , alsmede een (digitaal) uittreksel van de Kamer van Koophandel van [A BV] (handelsnaam [A] en [A] ) van 28 maart 2025 en een akte van statutenwijziging van [A BV] (destijds genaamd [belanghebbende] B.V.) van 1 november 2023.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Is het hoger beroep ontvankelijk?
Zo ja: heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2021 te hoog heeft vastgesteld?
Heeft de heffingsambtenaar het in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bepaalde geschonden?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot het vaststellen van de WOZ-waarde op het bedrag van € 12.848.000 en tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase en vergoeding van de proceskosten bij de rechtbank en het hof. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van de ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 8:24, lid 2, in samenhang met artikel 8:108, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe bevoegd is.
4.2.
Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd. [1]
4.3.
Het hof heeft [kantoornaam] in deze procedure op 11 april 2024 het onder 2.6 genoemde bericht gestuurd. Op 4 maart 2025 heeft het hof een herinnering aan [kantoornaam] gestuurd. De redenen waarom het hof een recente machtiging heeft gevraagd, zijn weergegeven in het onder 2.8 genoemde bericht.
4.4.
Ter zitting heeft [kantoornaam] verklaard dat na ontvangst van de brief van 4 maart 2025 de machtiging direct is opgevraagd bij de belanghebbende en dat deze onmiddellijk na ontvangst is doorgestuurd aan het hof. De overschrijding van de termijn is veroorzaakt door vertraging aan de zijde van belanghebbende, aldus [kantoornaam] .
4.5.
[kantoornaam] heeft in de onderhavige procedure niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn een schriftelijke machtiging overgelegd die niet ouder is dan zes maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Van een verschoonbare reden is evenmin gebleken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. [2] Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [A BV] op 28 maart 2025 is gedateerd, dat wil zeggen ruim na de brief 4 maart 2025 maar voor afloop van de door het hof gestelde termijn van 31 maart 2025. [kantoornaam] heeft nagelaten het uittreksel voor afloop van de termijn aan het hof te sturen onder vermelding van het bericht dat hij in afwachting is van de machtiging. Aangezien het ontbreken van een schriftelijke machtiging als een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb Pro moet worden aangemerkt en dat verzuim niet is hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep wordt niet toegekomen (zie hiervoor onder 3.1 ii en iii).
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840.
2.Zie Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2 en vergelijk Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558.