Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
- Trust Agreement [bedrijf 2] d.d. 19 oktober 2010;
- Pensioenreglement [bedrijf 2] d.d. 28 oktober 2010;
- Brief van Financial Services Commission van Ontario d.d. 15 november 2010;
- Confirmation of Tax exemption in Canada d.d. 7 januari 2013.
- de statuten van het fonds;
- de pensioenregeling/het pensioenplan; en
- de meest recente jaarrekening.”
- de deelname is slechts beperkt tot een specifieke groep medewerkers, te weten de directie;
- er bestaat de mogelijkheid tot vrije uittreding uit het plan;
- een deelnemer is niet verplicht om premie af te dragen;
- lump-sum betalingen zijn mogelijk (iets wat hier in feite expliciet, buiten een kleine afkoop, onmogelijk is).
3.Geschil en conclusies van partijen
vraag 1)?
vraag 2).
vraag 3)?
vraag 4)?
vraag 5)? Hierbij spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB.
vraag 6)?
vraag 7)?
vraag 8)?
4.Gronden
De rechter ziet toe op de naleving van artikel 8:42, lid 1, Awb. Indien uit het dossier blijkt dat de door het bestuursorgaan ingezonden stukken niet volledig zijn, dient de rechter het bestuursorgaan op te dragen dat verzuim te herstellen. De rechter is niet gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die het bestuursorgaan ten onrechte niet heeft overgelegd.
naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegdaan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel
aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel
teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd (
onderstreping hof).”
Ten slotte stelt de inspecteur dat belanghebbende niet te goeder trouw dan wel te kwader trouw is geweest omdat [naam 4] ondanks zijn betrokkenheid bij de procedure over [stichting] de inspecteur niet heeft ingelicht over belanghebbendes activiteiten en belanghebbende wist dat er geen contact was tussen de medewerkers van de Belastingdienst die betrokken waren bij de procedure van [stichting] en de medewerkers die betrokken waren bij belanghebbende. Dat belanghebbende niet te goeder trouw was volgt volgens de inspecteur ook uit het bewust ontwijken van een aantal door de inspecteur gestelde vragen en informatie die door de FIOD met de inspecteur is gedeeld.
Belanghebbende stelt ten slotte dat het
fair playbeginsel is geschonden en dat door de FIOD aan de inspecteur gestuurde informatie (meer specifiek e-mailgesprekken en de hiervoor in 4.24 vermelde ontwijking van antwoorden op door de inspecteur gestelde vragen) moet worden uitgesloten als bewijs.
Bovendien is voor in rechte te beschermen vertrouwen vereist dat de toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. [9]
Het hof is van oordeel dat die beide vragen ontkennend moet worden beantwoord. Meer specifiek zijn in ieder geval de (voorgenomen) feitelijke werkzaamheden van belanghebbende, het drijven van de dividendarbitrage onderneming, niet door [naam 4] benoemd. [naam 4] , zo volgt uit zijn verzoek van 20 december 2012, heeft enerzijds expliciet kenbaar gemaakt dat belanghebbende kwalificeert onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb en daarom niet in Nederland belastingplichtig zou zijn, terwijl hij anderzijds zijn verzoek aan [naam 7] toespitst op ‘de juridische status’ (zie 2.12) en/of de kwalificatie van ‘lichaam’ in de zin van artikel 10, lid 3, Wet DB (zie 2.11). Dat het verzoek zich slechts beperkte tot de juridische aspecten van artikel 10, lid 3, Wet DB en niet zag op alle voorwaarden die voor het recht op teruggaaf vandividendbelasting van belang waren, vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat met de initiële verzoeken slechts de Canadese vrijstellingsbeschikking en de registratie van de pensioenfondsen is meegestuurd. [naam 7] beschikte ook niet over jaarcijfers waaruit hij zelf had kunnen opmaken wat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende waren. Het lag op de weg van belanghebbende om de informatie waar de stelling op stoelde dat hij kwalificeerde onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb, aan de inspecteur voor te leggen. Dat heeft belanghebbende nagelaten.
Het hof vindt voor het voorgaande oordeel steun in de omstandigheid dat [naam 4] in februari 2016 namens [Ltd 7] een nieuw teruggaafverzoek heeft ingediend waarbij i) wederom geen jaarcijfers zijn meegestuurd, ii) niets over de activiteiten is vermeld en iii) is gesteld dat belanghebbende kwalificeert onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb. Dit terwijl [naam 4] in ieder geval bij de zitting van de rechtbank van [stichting] aanwezig was geweest en ook die rechtbank al oordeelde dat [stichting] niet aan één van de voorwaarden die volgde uit artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb had voldaan en het hof aannemelijk acht dat [naam 4] ook van de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015 [13] op de hoogte moet zijn gebracht.
De gemachtigde gaat – ongeacht de mogelijkheid tot verhaal op de gerechtigden – onvoorwaardelijk akkoord met terugbetaling aan de Belastingdienst/Kantoor Buitenland van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende teruggaven.’
5.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).