Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Hof: Actuariële en bedrijfstechnische nota] 2012 en concept-ABTN 2013 niet zegt (…) is dat [belanghebbende] het aangaan van de derivaten (short selling), al dan niet in combinatie met geleend geld (en price return swaps), nodig heeft om de aankoop van de daarmee gerelateerde aandelen (of futures voor die aandelen) te kunnen financieren. Het is dus niet zo dat de derivaten worden gebruikt om het beleggingsrisico te verlagen, maar juist dat aandelen worden gekocht om het beleggingsrisico op de door [belanghebbende] aangegane derivatenpositie te verlagen. Om delta neutraal de verplichting tot levering van de aandelen op termijn te kunnen nakomen koopt [belanghebbende] direct nadat zij short is gegaan of een price return swap heeft gesloten in een aandeel dat aandeel in de markt (of sluit zij een futures contract voor de verkrijging van die aandelen op termijn). De wederpartij bij de derivatentransactie verwacht levering van het aandeel nadat het aandeel ex-dividend is gegaan. De verkoper van het aandeel (of de future) rekent de netto-dividendverwachting in bij het bepalen van zijn verkoopprijs. Voor [belanghebbende] zit het voordeel in die netto-dividendverwachting, omdat [belanghebbende], anders dan de verkoper van het aandeel, geen rekening hoeft te houden met de in te houden dividendbelasting (…).
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
medegaat om enige vorm van belastingarbitrage, waarbij gebruik wordt gemaakt van de verschillende posities die de diverse marktpartijen hebben ten opzichte van de diverse, betrokken binnenlandse of buitenlandse belastingdiensten. Aannemelijk is voorts dat die markt in het algemeen zeer liquide is (zodat prijsstellingen doorgaans geen grote afwijkingen vertonen, transacties koersneutraal zijn en het resultaat ten opzichte van het transactievolume klein is) en dat daarbij niet alleen de belastingpositie van de transigerende partijen een rol speelt, maar dat andere verwachtingen omtrent het dividend mede relevant zijn en dat, ook indien het dividend bekend is, er risico’s en onzekerheden blijven bestaan die ‘in de markt verhandelbaar’ zijn (“indien een dividend onverhoopt geannuleerd wordt dan is de impact op het resultaat zeer groot”, aldus belanghebbende), doch dat zonder (dividend)belasting-arbitrage (waaronder mogelijke ‘dividendstripping’) de marge voor beide betrokken partijen (aanzienlijk) kleiner zal zijn. De inspecteur heeft dit een en ander niet betwist.
nietde verkoper van de aandelen was, en dat in 3 gevallen onduidelijk is wie de verkoper was. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [J Ltd] / [I Ltd] te twijfelen. De inspecteur heeft die verklaring ook niet (voldoende concreet) gemotiveerd betwist. Diens stelling, dat er in de gegeven omstandigheden maar één verklaring kan zijn voor het feit dat [F Plc] bereid is belanghebbende telkens “een opslag van 4% op de theoretische prijs van de opties” te betalen – te weten, dat de 4% marge geen handelsmarge is maar een dienstverleningsvergoeding – acht het Hof in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende niet voldoende om aannemelijk te achten dat [F Plc] – ook – de wederpartij van belanghebbende was bij de aandelentransacties. Bovendien moet in dit verband bedacht worden dat feitelijk ook geen sprake is van een ‘vaste’ fee van 4% (zie 2.2.2); de marge van belanghebbende varieert per transactie en kan ook negatief zijn (zoals in 2012 daadwerkelijk is voor-gekomen).
Wiedaarbij feitelijk de verkoop-bereide tegenpartij is, kan belanghebbende onverschillig laten.
Kamerstukken II1988/89, 21 198, MvT, nr. 3, blz. 110; zie ook Nota van wijziging en Tweede nota van wijziging, nrs. 10 en 16).