ECLI:NL:GHSHE:2025:3450

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
: 24/147
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) met betrekking tot schade aan een Mercedes-Benz GLC-klasse

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende, een B.V., tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over een naheffingsaanslag BPM. De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.069, die later werd verminderd tot € 1.031. Belanghebbende betwist de hoogte van de naheffingsaanslag en stelt dat de inspecteur onvoldoende rekening heeft gehouden met schade aan de auto, wat de handelsinkoopwaarde zou verlagen. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar kende wel een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep stelt het hof dat de inspecteur de historische nieuwprijs van de auto te laag heeft vastgesteld, maar dat de hogere CO2-uitstoot van de auto geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde. Het hof concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/147
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 december 2023, nummer BRE 22/1770 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 24 november 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLC-klasse met VIN-nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto) naar een te betalen bedrag aan BPM van € 8.480.
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [kantoor] van 24 november 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 49.548. De taxateur heeft 100% van de berekende schade, zijnde een bedrag van € 6.276, op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 43.272. Belanghebbende heeft de historische nieuwprijs van de auto in de aangifte bepaald op € 98.788, in hoger beroep verdedigt belanghebbende een waarde van € 104.381.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 1 december 2020. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld aan de hand van een koerslijst van Xray op € 52.707. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 100.567.
2.4.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 9.549. Met dagtekening 23 april 2021 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.069 aan verschuldigde BPM. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.031.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is het antwoord op de volgende vragen in geschil:
  • i) Heeft belanghebbende recht op een vermindering van de handelsinkoopwaarde in verband met aanwezige schade aan de auto?
  • ii) Heeft de inspecteur de historische nieuwprijs te laag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vermindering van de naheffingsaanslag tot het bedrag van € 767. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i. Waardevermindering wegens schade
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde waardevermindering in verband met schade aan de auto. Belanghebbende stelt dat de taxateur van DRZ de aanwezige schade over het hoofd heeft gezien. Dit komt voort uit het feit dat hij niet kundig is en de door DRZ gehanteerde werkwijze, waarbij de opsteller van de schadecalculatie de auto niet heeft gezien. Verder stelt belanghebbende dat binnen de branche beleid is ontwikkeld voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en échte schade.
4.2.
Volgens de inspecteur kan het taxatierapport van belanghebbende niet dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende gestelde schade, omdat er gebreken kleven aan het rapport van belanghebbende. Verder bestrijdt de inspecteur dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.3.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. De inspecteur heeft zich beklaagd over diverse formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende. Het standpunt van de inspecteur dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 15 minuten heeft gedaan en geen onderzoek is ingesteld naar de oorzaak van de schade, heeft naar het oordeel van het hof, niet tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport.
4.4.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.5.
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid en zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. De kennelijke werkwijze van DRZ maakt dat niet anders. [1] Het hof is van oordeel dat de door belanghebbende gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruikssporen. Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, buiten de schade die de inspecteur al in aanmerking heeft genomen. Voor zover belanghebbende in dit verband heeft verwezen naar beleid van de autobranche met betrekking tot het onderscheid tussen normale gebruiksschade en meer dan normale gebruiksschade, geldt dat niet gebleken is dat dit beleid van de Belastingdienst betreft, zodat de inspecteur niet gehouden is dit beleid toe te passen. [2] Het hof beantwoordt vraag (i) ontkennend.
ii. historische nieuwprijs
4.6.
In het subsidiaire standpunt van belanghebbende gaat zij uit van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 52.974 (inspecteur: € 52.707). Belanghebbende gaat – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [3] – verder uit van een historische nieuwprijs van € 104.381, terwijl de inspecteur uitgaat van € 100.567. Belanghebbende gaat daarbij net als de inspecteur uit van een netto catalogusprijs van € 70.265 en € 14.755 (de btw), maar telt daarbij op € 19.361 (de historische bruto BPM op basis van een CO2-uitstoot van 170 gr/km).
4.7.
In het geval de historische nieuwprijs op het hogere bedrag van € 104.383 moet worden vastgesteld, is de inspecteur van mening dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermindering meer bedraagt dan waar reeds rekening mee is gehouden bij het vaststellen van de naheffingsaanslag, omdat de handelsinkoopwaarde in dat geval ook te laag is vastgesteld. Naar de mening van de inspecteur kan het forse verschil in handelsinkoopwaarde zoals die volgt uit de koerslijst van Autotelexpro, zijnde € 58.328, en de in casu door hem bij het vaststellen van de naheffingsaanslag gehanteerde handelsinkoopwaarde zoals die volgt uit de koerslijst van X-Ray, zijnde € 52.707, enkel worden verklaard door de afwezigheid van een aantal opties.
4.8.
Voor gebruikte personenauto’s geldt dat het volgens artikel 10, lid 1, Wet BPM bij die personenauto behorende bedrag aan belasting, bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, Wet BPM, wordt berekend met inachtneming van een vermindering. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. Die bewijsregel geldt ook indien de belasting zoals in casu wordt geheven door middel van een naheffingsaanslag. [4] Artikel 10, lid 2, Wet BPM bepaalt dat de vermindering, bedoeld in artikel 10, lid 1, Wet BPM, de afschrijving is, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, Wet BPM, en de BPM op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. De in aanmerking te nemen afschrijving wordt gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [5] bepaald op het verschil tussen de historische nieuwprijs van het te registreren voertuig (netto catalogusprijs inclusief omzetbelasting plus historische bruto BPM) en de handelsinkoopwaarde van
het te registreren voertuig.
4.9.
Belanghebbende heeft de in artikel 10, lid 2, Wet BPM bedoelde afschrijving van de auto bepaald met gebruikmaking van de taxatiemethode als bedoeld in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Bij toepassing van de taxatiemethode kan de taxateur als referentie voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van het gebruikte motorrijtuig in kwestie mede gebruik maken van de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbaar motorrijtuig die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. [6] In dat geval is de in een koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal in dat geval van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn. [7] De belastingplichtige die kiest voor toepassing van de taxatiemethode dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken, die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast, en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [8]
4.10.
Niet in geschil is dat de auto niet voorkomt op enige koerslijst in Nederland. Dit heeft gelet op artikel 9, lid 5, laatste volzin, Wet BPM tot gevolg dat de netto catalogusprijs door vergelijking wordt bepaald. Belanghebbende en de inspecteur hebben daarom aansluiting gezocht bij de netto catalogusprijs van de (best) vergelijkbare binnenlandse auto, te weten een Mercedes-Benz GLC-klasse Coupé - 300 4MATIC Premium Plus (5-drs SUV, Benzine, Automaat) met een CO2-uitstoot van 161 gr/km. Niet in geschil is dat deze auto wel in Nederland in de handel is gebracht, van hetzelfde merk is en die, voor wat betreft de technische uitvoering, vrijwel gelijk is aan de onderhavige auto. Ook niet in geschil is dat de onderhavige auto een CO2-uitstoot van 170 gr/km heeft en dat de bij die CO2-uitstoot behorende historische bruto BPM € 19.361 bedraagt. Dit leidt, zoals belanghebbende heeft aangegeven, tot een historische nieuwprijs van € 70.265, vermeerderd met 21% btw (€ 14.755) en vermeerderd met de historische bruto BPM (€ 19.361) is € 104.381. De inspecteur is bij de berekening van het afschrijvingspercentage uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 100.567. Dit verschil is erin gelegen dat de inspecteur bij het bepalen van de historische nieuwprijs is uitgegaan van de CO2-uitstoot van de referentieauto van 161 gr/km, welke CO2-uitstoot lager is dan die van het te registreren voertuig. Dit heeft vanzelfsprekend tot gevolg dat de historische bruto BPM van de referentieauto lager is dan de historische bruto BPM van het te registeren voertuig. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [9] volgt naar het oordeel van het hof dat de door de inspecteur gehanteerde wijze van bepalen van de historische nieuwprijs niet juist is. De vraag is evenwel of dit tot gevolg heeft dat het door de inspecteur gehanteerde afschrijvingspercentage onjuist is. Meer specifiek of het afschrijvingspercentage van het referentievoertuig afwijkt (lager is) dan het afschrijvingspercentage van het te registreren voertuig. Belanghebbende stelt van wel, de inspecteur betwist dit. Het antwoord op de vraag of het afschrijvingspercentage onjuist is, hangt mede af van de vraag of een hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor het te registreren voertuig tevens van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.
4.11.
DRZ heeft vastgesteld dat de handelsinkoopwaarde van de referentieauto in onbeschadigde staat volgens de voor belanghebbende meest gunstige koerslijst (X-Ray) € 52.707 bedraagt. Voor de vaststelling van de afschrijving heeft de inspecteur de historische nieuwprijs van de referentieauto (€ 100.567) afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van de referentieauto. Dit heeft geleid tot een afschrijving van 47,6%.
4.12.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat het afschrijvingspercentage van 47,6%, gelet op de onjuiste historische nieuwprijs, te laag is. Deze dient te worden bepaald aan de hand van de historische nieuwprijs van € 104.383 en een handelsinkoopwaarde van € 52.974. Dit leidt tot een afschrijvingspercentage van 49,25%. De naheffingsaanslag dient alsdan te worden verminderd naar € 767, aldus belanghebbende. Het andersluidende oordeel van de rechtbank getuigt volgens belanghebbende, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [10] , van een onjuiste rechtsopvatting.
4.13.
De inspecteur voert aan dat de taxateur van belanghebbende en de taxateur van DRZ zijn aangesloten bij het afschrijvingspercentage van een Nederlands referentievoertuig op basis van de koerslijst X-Ray. Zij zijn kennelijk van mening dat het te registeren voertuig en het referentievoertuig in gelijke mate afschrijven. De koerslijsten registreren volgens de inspecteur geen verschillen in CO2-uitstoot, zodat er bij (uitsluitend) verschillen in CO2-uitstoot geen verschillen in handelsinkoopwaarde naar voren komen. De inspecteur heeft betoogd dat de hogere historische nieuwprijs meebrengt dat voor het te registreren voertuig tevens van een hogere handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) moet worden uitgegaan. De in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is namelijk gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 161 gr/km, terwijl het te registreren voertuig een CO2-uitstoot van 170 gr/km heeft. Dat dit mogelijk is, volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2023 en 22 december 2023. Dat sprake is van een hogere handelsinkoopwaarde acht de inspecteur aannemelijk, omdat de hogere CO2-uitstoot verband zal houden met de uitvoering en/of opties van het te registeren voertuig. De inspecteur wijst daarbij op de koerslijst van Autotelexpro, waarin voor deze auto alle opties apart genoemd zijn. De handelsinkoopwaarde die uit deze koerslijst volgt, is € 58.328. In de koerslijst van Xray is een aantal opties onder ‘overige opties’ geschaard. Mogelijk zijn deze in Xray voor deze buitenlandse auto niet anders te selecteren, aldus de inspecteur. Belanghebbende, die volgens de inspecteur de bewijslast heeft, heeft echter niet aannemelijk gemaakt wat de afwijkingen van het te registreren voertuig zijn ten opzichte van het Nederlandse referentievoertuig en welke gevolgen dit heeft voor de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde.
4.14.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering onderbouwen. [11] Dit betekent naar het oordeel van het hof dat belanghebbende het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus tot een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Het hof is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in die bewijslast is geslaagd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat een hogere CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, heeft belanghebbende in hoger beroep een (nieuwe) koerslijst van X-Ray overgelegd waarin de CO2-uitstoot van het te registreren voertuig (170 gr/km) is ingevuld. De handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) blijft volgens die nieuwe koerslijst ongewijzigd € 52.974. De inspecteur heeft hiertegen ingebracht dat niet duidelijk is of de (enkele) handmatige aanpassing van de CO2-uitstoot bij de rubriek ‘CO2 klant’ doorwerkt naar de waardering. Daarbij heeft de inspecteur aangegeven dat bij het te registreren voertuig mogelijk sprake is van (extra) CO2-verhogende opties die van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde, maar die niet in de nieuwe koerslijst zijn toegevoegd. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken waardoor het verschil in CO2-uitstoot wordt veroorzaakt, neemt het hof als uitgangspunt dat een verschil in CO2-uitstoot zoals in deze zaak aan de orde is, te weten een verschil van 9 gr/km, zijn oorzaak moet vinden in een verschil in CO2-verhogende opties. Een dergelijk verschil in opties heeft gevolgen voor de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende inzicht gegeven in hoe in de nieuwe koerslijst rekening is gehouden met dergelijke (extra) CO2-verhogende opties. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen om toe te lichten of sprake is van verschillen in opties tussen het te registreren voertuig en het Nederlandse referentievoertuig en, zo ja, om te motiveren waarom die verschillen in opties géén invloed hebben op de handelsinkoopwaarde. Belanghebbende is dus niet in zijn bewijslast geslaagd. [12] Gelet op het voorgaande neemt het hof tot uitgangspunt dat, zoals de inspecteur terecht heeft betoogd, de hogere CO2-uitstoot van het te registreren voertuig een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3315, r.o. 4.1 en 4.2.
2.Zie onder meer Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5458 (het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is ongegrond verklaard met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO. Zie Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1195) en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5257, ECLI:NL:GHSHE:2018:5259 en ECLI:NL:GHSHE:2018:5260.
4.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2.
6.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.2, Hoge Raad 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.2 en Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
7.Hoge Raad 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3 en Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
8.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
9.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
11.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
12.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6014, r.o. 4.2 t/m 4.8.