Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM voor drie gebruikte personenauto’s, waarbij de Inspecteur uitging van handelsinkoopwaarden zonder volledige aftrek wegens schade. De Rechtbank wees het beroep gedeeltelijk af, maar vernietigde de boete.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de auto’s meer dan normale gebruiksschade vertoonden, wat een lagere BPM zou rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat het disproportioneel was om belanghebbende te verplichten de auto’s fysiek te tonen bij Domeinen Roerende Zaken, maar dat de bewijslast voor schade op belanghebbende bleef rusten.
Na beoordeling van taxatierapporten en foto’s stelde het hof een waardevermindering vast van € 2.000 voor auto 2 en een beperkte aftrek wegens het ontbreken van een Nederlandstalig literatuurpakket voor auto 1 en 3. De naheffingsaanslag werd verminderd van € 1.187 naar € 748. De verzuimboete werd vernietigd omdat het standpunt van belanghebbende pleitbaar was. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.