Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:431

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
BK-24/992
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30hb AWRArt. 1 EP EVRMArt. 1, letter a, BbiArt. 2 Wet DBArt. 3, eerste lid, letter a, Wet DB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag dividendbelasting wegens niet-verkapte winstuitdeling en toetsing belastingrente

Belanghebbende, een vennootschap met [A] als enig aandeelhouder en bestuurder, kreeg een naheffingsaanslag dividendbelasting 2018 opgelegd wegens vermeende verkapte winstuitdeling van fiscale advieskosten. De Rechtbank had de aanslag verminderd, maar het Hof vernietigt deze uitspraak deels.

Het Hof oordeelt dat de kosten die betrekking hebben op de Amerikaanse belastingclaim zakelijk zijn en niet leiden tot een onttrekking aan het vermogen van belanghebbende. De kosten voor de Amerikaanse tax compliance van [A] worden echter wel als een verkapte winstuitdeling aangemerkt, omdat deze kosten persoonlijke aard hebben en niet zijn verhaald op [A]. De dubbele bewustheid van de bevoordeling is vastgesteld.

De belastingrente is conform de wettelijke bepalingen berekend en voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 EP Pro EVRM. Het Hof vermindert de naheffingsaanslag en de belastingrente dienovereenkomstig, wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens niet-overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag dividendbelasting 2018 en belastingrente worden verminderd wegens niet-verkapte winstuitdeling van advieskosten, met toewijzing van proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/992

Uitspraak van 10 maart 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.E. Kers)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 oktober 2024, nummer SGR 23/6307.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2018 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd naar een bedrag van € 29.277 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 4.844 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De Inspecteur heeft het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 28.379 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd naar een bedrag van € 4.696. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur een forfaitaire kostenvergoeding toegekend van
€ 296.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 365 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op de aanslag te verminderen overeenkomstig deze uitspraak;
- draagt verweerder op de rentebeschikking dienovereenkomstig te verminderen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek om vergoeding voor immateriële schade af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.078;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; en
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 559 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2025 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 oktober 2025. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met nummers BK-24/990 en BK-24/991. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht in de andere zaken te zijn aangevoerd, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is op [datum] 2005 opgericht. Sinds de oprichting van belanghebbende is de heer [A] enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, waarbij [A] zelfstandig bevoegd is.
2.2.
Belanghebbende houdt alle aandelen in de vennootschap [B.V. 1] , die op haar beurt deelnemingen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en één in [buitenland] gevestigde vennootschap houdt. Belanghebbende houdt daarnaast alle aandelen in de vennootschap [Inc. 1] , die in [datum] 2013 is opgericht naar het recht van de staat [Staat 1] en is gevestigd in de Verenigde Staten. [Inc. 1] verleent diensten met betrekking tot (het ter beschikking stellen van) software in de Verenigde Staten, die alleen in de Verenigde Staten kan worden gebruikt. De software wordt door een in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap van belanghebbende, [B.V. 2] , ontwikkeld.
2.3.
De activiteiten van belanghebbende hebben betrekking op het verlenen van managementdiensten aan haar dochtervennootschappen, waarvoor belanghebbende een management fee ontvangt. De dochtervennootschappen verrichten operationele activiteiten op het gebied van […] .
2.4.
Sinds 1 augustus 2014 is [B] financieel directeur van belanghebbende, waarbij [B] een beperkte volmacht heeft tot € 10.000. Zowel [A] als [B] worden vanaf 2014 als werknemers door belanghebbende verloond.
2.5.
Met ingang van 18 augustus 2014 is [A] door belanghebbende uitgezonden om als Chief Executive Officer te functioneren bij [Inc. 1] . Ter zake van de uitzending is tussen belanghebbende en [A] een International Assignment Letter (de International Assignment Letter) overeengekomen waarin de voorwaarden van de uitzending zijn vastgelegd. Voor het uitzenden van personeel ontvangt belanghebbende een vergoeding van [Inc. 1] op grond van een tussen beide gesloten Secondment Agreement.
2.6.
Naar aanleiding van de in 2.5 genoemde uitzending is [A] in augustus 2014 met zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd. Met ingang van 18 augustus 2024 is [A] fiscaal inwoner van de staat [Staat 2] (Verenigde Staten) en per 1 januari 2015 is [A] op federaal niveau fiscaal inwoner geworden.
2.7.
Op 1 januari 2018 is in de Verenigde Staten de “Tax Cuts and Jobs Act” (TCJA) in werking getreden. Onderdeel van de TCJA was de “Global Intangible Low-Taxed Income”-wetgeving (GILTI-wetgeving).
2.8.
In 2018 heeft belanghebbende onder meer € 156.871 aan advieskosten gemaakt. Dit betrof werkzaamheden verricht door adviseurs gevestigd in de Verenigde Staten en Nederland, waaronder [Adviseurs 1] en [Adviseurs 2] . Hiervan heeft een deel ter grootte van € 127.043 betrekking op een herstructurering van de ondernemingsstructuur van belanghebbende ter voorkoming van een toerekening van de ondernemingsresultaten aan [A] en een mogelijke economische dubbele heffing als gevolg van de inwerkingtreding van de GILTI-wetgeving. Een bedrag aan kosten van € 29.828 houdt verband met de tax compliance van [A] in de Verenigde Staten.
2.9.
De in 2.8 bedoelde herstructurering is in oktober 2018 uitgevoerd, waarbij de aandelen in de dochtervennootschap [B.V. 1] middels een aandelenfusie zijn ingebracht in een nieuw opgerichte Amerikaanse tussenholding, [Inc. 2] , tegen uitreiking van aandelen in [Inc. 2] . Door voortschrijdend inzicht en wijzigingen in de Amerikaanse wetgeving is gebleken dat het bestaan van [Inc. 2] niet langer noodzakelijk was voor het mitigeren van voornoemde gevolgen van de GILTI-wetgeving en is [Inc. 2] in 2021 geliquideerd. Belanghebbende heeft daardoor weer een rechtstreeks belang in [B.V. 1] gekregen.
2.10.
Belanghebbende heeft op 23 april 2019 de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 (de aangifte) ingediend naar een belastbaar bedrag van € 9.210, waarbij (onder meer) de in 2.8 genoemde advieskosten als onderdeel van de post “andere kosten” in aftrek zijn gebracht. Van de totaal in aftrek gebrachte advieskosten van € 166.991 heeft de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 2018 een bedrag van € 162.233 niet in aftrek toegestaan.
2.11.
Het gecorrigeerde bedrag aan advieskosten van € 162.233 is als volgt opgebouwd:
A. kosten Amerikaanse belastingclaim
€ 127.043
B. kosten Amerikaanse tax compliance van [A]
€ 29.828
C. kosten verlenging visum van [A]
€ 519
D. kosten registratie en inbreng aandelen in [Inc. 2]
€ 868
E. kosten compliance [Inc. 1]
€ 2.860
F. kosten overige advisering
€ 905
G. kosten advies inkomstenbelasting
€ 210
2.12.
De gemaakte kosten die betrekking hebben op de tax compliance van [A] in de Verenigde Staten, houden verband met het invullen van de volgende Amerikaanse belastingformulieren:
Form 5471
Information return of U.S. persons with respect to foreign disregarded entities
Form 8858
Information return of U.S. persons with respect to foreign disregarded entities (FDEs) and Foreign Branches (FBs)
Form 987
Branch operations in a foreign currency
Form 1040
U.S. individual income tax return
Form 965
Transition tax on the untaxed foreign earnings of certain specified foreign corporations as if those earnings had been repatriated to the United States
Form 8938
Statement of specified foreign financial assets
2.13.
Ter zake van de in 2.10 genoemde correctie heeft de Inspecteur op 6 juni 2023 de naheffingsaanslag opgelegd, berekend naar een (verkapt) dividend van € 195.182. Dit bedrag is opgebouwd uit de gecorrigeerde advieskosten van € 162.233, verhoogd met een bedrag aan omzetbelasting van € 3.672, waarna het dividend is gebruteerd. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 4.844 belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente in de beschikking belastingrente is berekend over de periode 1 januari 2019 tot en met 20 juni 2023. De in rekening gebrachte belastingrentepercentages voor de dividendbelasting waren in de volgende perioden als volgt:
1 januari 2019 tot en met 31 mei 2020
4%
1 juni tot en met 30 september 2020
0,01%
1 oktober 2020 tot en met 20 juni 2023
4%
2.14.
Bij uitspraak op bezwaar van 28 augustus 2023 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 28.379, berekend naar een (verkapt) dividend van € 189.194. Daarbij heeft de Inspecteur het bedrag aan advieskosten van € 162.233 verminderd met € 6.129 en aangemerkt als informeel kapitaal, omdat laatstgenoemde kosten toebehoren aan [Inc. 1] . Voorts heeft de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar het bedrag aan omzetbelasting verhoogd met € 1.039 tot € 4.711, omdat hij deze abusievelijk niet had meegenomen in de naheffingsaanslag. Het dividend is vervolgens gebruteerd. De belastingrente is verminderd tot € 4.696.
2.15.
In beroep heeft de Inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat de kosten die betrekking hebben op de posten C, D en F niet als uitdeling in aanmerking moeten worden genomen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De naheffingsaanslag
14. Op grond van artikel 2 en Pro artikel 3, eerste lid, letter a, van de Wet op de Dividendbelasting 1965 (Wet DB) wordt dividendbelasting geheven over onmiddellijke of middellijke uitdelingen van de winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan. De bewijslast van de door verweerder gestelde uitdeling rust op verweerder. Dat betekent dat verweerder de feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken, die leiden tot de conclusie dat eiseres een uitdeling aan [A] heeft gedaan in zijn hoedanigheid als haar aandeelhouder.
15. Van een dergelijke uitdeling - die doorgaans als 'verkapte dividenduitkering’ wordt aangeduid - is volgens vaste jurisprudentie sprake wanneer een vermogensverschuiving van een vennootschap naar de (middellijk) aandeelhouder plaatsvindt (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of ander goed, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken, mits zowel de aandeelhouder als de vennootschap zich van die vermogensverschuiving bewust is geweest (dubbele bewustheid).[1] In deze zaak houdt het bewustheidsvereiste in dat eiseres en [A] bij het betalen van de advieskosten van
€ 154.680 zich ervan bewust waren of moeten zijn geweest dat [A] daarmee werd bevoordeeld.
A. Kosten Amerikaanse belastingclaim en B. kosten Amerikaanse tax compliance [A]
16. Gelijktijdig met de uitspraak op het onderhavige beroep doet de rechtbank uitspraak in het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 23/4288. De rechtbank is in deze uitspraak tot het oordeel gekomen dat aan de betalingen van de ‘A. kosten Amerikaanse belastingclaim’ en ‘B. kosten Amerikaanse tax compliance [A] ’ geen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Bij de behandeling van het onderhavige beroep gaat de rechtbank er daarom van uit dat de werkelijke aard van de uitgaven te vinden is in de bevrediging van de persoonlijke behoeften van [A] . Voor de onderbouwing van deze vaststelling verwijst de rechtbank naar de genoemde uitspraak.
17. Gelet op deze vaststelling acht de rechtbank aannemelijk dat met de betalingen van de genoemde advieskosten sprake is van een bevoordeling van [A] in zijn hoedanigheid als aandeelhouder. Het is moeilijk voor te stellen dat de betalingen zijn verricht om andere redenen dan aandeelhoudersmotieven. Eiseres had zich hier redelijkerwijs van bewust moeten zijn nu deze advieskosten niet zomaar zijn gemaakt, maar pas nadat zij was ingelicht over de mogelijke gevolgen van de Amerikaanse belastingclaim voor [A] . Dat geldt in gelijke zin voor de verplichting tot het voldoen aan de Amerikaanse tax compliance voor [A] . De rechtbank is van oordeel dat deze bewustheid redelijkerwijs ook aanwezig had moeten zijn bij [A] . Hij moet als 100% aandeelhouder en enig bestuurder van eiseres over deze advisering - die overigens betrekking had op zijn eigen fiscale positie - zijn ingelicht, te meer omdat de financieel directeur van eiseres slechts een volmacht had tot € 10.000. De advieskosten overschrijden ruimschoots dit bedrag. Onder deze omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat [A] zich in beide hoedanigheden bewust moet zijn geweest van de bevoordeling. De naheffingsaanslag is in zoverre terecht opgelegd.
E. Kosten compliance [Inc. 1] en G. Kosten advies inkomstenbelasting
18. Verweerder heeft met betrekking tot ‘E. kosten compliance [Inc. 1] ’ onvoldoende onderbouwd waarom de betaling van deze kosten, die voortvloeien uit het voldoen aan compliance verplichtingen op het niveau van [Inc. 1] , als uitdeling aan [A] kwalificeert. [Inc. 1] is immers een dochtervennootschap van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een uitdeling.
19. Onder ‘G. kosten advies inkomstenbelasting’ wordt verstaan: een deel van de kosten (€ 210) voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 2017 van [A] die in 2018 door eiseres zijn betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat dit kosten zijn die bij [A] thuishoren. Eiseres heeft voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag verklaard dat zij deze kosten onder voorwaarden alsnog in rekening-courant of in het salaris van [A] zou verwerken. Verweerder stelt dat eiseres [A] hiermee in 2018 heeft bevoordeeld. Voor zover eiseres heeft gekozen voor een verwerking in het salaris, dient de uitdeling volgens verweerder te worden verminderd met een bedrag van € 38. Voor dit bedrag doet hij een beroep op interne compensatie, omdat niet duidelijk is hoe eiseres de overige kosten (€ 640) voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 2017 heeft verwerkt. In feite kan volgens verweerder het gehele bedrag (€ 210 + € 640 = € 850) een uitdeling aan [A] zijn.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiseres [A] in 2018 heeft bevoordeeld met het betalen van de kosten voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 2017. Eiseres is immers zelf achter de foutieve verwerking gekomen, heeft dit ook meteen gemeld bij verweerder en daarbij aangegeven het te willen corrigeren via de rekening-courant in 2020. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Het beroep op interne compensatie kan niet slagen omdat de overige € 640 reeds in 2017 door eiseres in aanmerking is genomen, waardoor dit bedrag niet in 2018 kan worden nageheven.
21. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte de betalingen van de kosten ‘E. Kosten compliance [Inc. 1] ’ en ‘G. kosten advies inkomstenbelasting’ als uitdeling in aanmerking heeft genomen. De naheffingsaanslag dient dienovereenkomstig verlaagd te worden. Het beroep is in zoverre gegrond.
(…)
Rentebeschikking
23. Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente over de juiste periode is berekend. Eiseres stelt dat de belastingrente met een te hoog tarief is berekend en zij doet een beroep op schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiseres staan de gehanteerde belastingrentepercentages niet in verhouding tot de negatieve marktrente in de onderhavige periode. Eiseres verzoekt om een lagere rente onder verwijzing naar de gemiddelde spaarrente in de periode 2019 tot en met 2022.
24. In artikel 30hb van de Awr is bepaald:
“Het percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld.”
De hoogte van het percentage van de belastingrente voor de Vpb is geregeld in het Besluit belasting- en invorderingsrente.
25. Naar volgt uit de derde volzin van artikel 1, eerste lid, van het EP bij het EVRM, tasten de bepalingen van dat artikellid op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om de wettelijke regels toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. De belastingrenteregeling is een maatregel in de hier bedoelde zin. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens moet een dergelijke maatregel een ‘fair balance’ waarborgen tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de individuele fundamentele rechten, waaronder het in artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM gegarandeerde eigendomsrecht. Bij de beoordeling of aan dit vereiste is voldaan komt de nationale wetgever een ruime beoordelingsmarge toe. Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP Pro wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last.[2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat het krachtens de rentebeschikking verschuldigde bedrag voor haar een individuele en buitensporige last is. De verwijzing naar gemiddelde spaarrentes in de onderhavige periode is daarvoor onvoldoende.
26. Nu de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld. dient de rentebeschikking in overeenstemming met de vermindering van de naheffingsaanslag te worden verminderd.
27. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient de naheffingsaanslag te worden verminderd met wat is overwogen onder 21. en dient de rentebeschikking dienovereenkomstig te worden verminderd. In zoverre wordt het beroep gegrond verklaard.
Immateriële schadevergoeding
28. Eiseres heeft verzocht om vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ontvangen op 26 juni 2023. De uitspraak van de rechtbank is van 8 oktober 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.
Proceskosten
29. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en wat eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid. van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dan ook niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding daarom af.
30. De te vergoeden kosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op€ 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft reeds bij uitspraak op bezwaar een kostenvergoeding toegekend van € 296 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 296). Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024[3] verhoogt de rechtbank dit bedrag tot € 624. Het verschil (€ 328) dient verweerder alsnog aan eiseres te vergoeden. De totale kostenvergoeding in beroep bedraagt aldus € 2.078. De rechtbank ziet tevens aanleiding het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden. Indien de vergoedingen niet aan eiseres worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, heeft eiseres recht op vergoeding van de wettelijke rente over die vergoedingen.
(…)
[1] Vgl. Hoge Raad 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193 en Hoge Raad 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.
[2] Vgl. Hoge Raad 12 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR4868, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5364 en gerechtshof Den Haag 25 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3954.
[3] Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de bij belanghebbende in rekening gebrachte kosten hebben geresulteerd in een (verkapte) winstuitdeling van belanghebbende aan [A] en, zo ja, tot welk bedrag. Voorts is in geschil of de beschikking belastingrente terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. Voorts verzoekt belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade, een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede om een vergoeding van de betaalde griffierechten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag, berekend naar een dividend van € 182.609 en, naar het Hof begrijpt, tot dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente. Voor het overige concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verkapte winstuitdeling door belanghebbende aan [A] ten bedrage van € 155.218 vóór brutering. Voornoemd bedrag is opgebouwd uit aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten ten bedrage van € 150.742 die betrekking hebben op de Amerikaanse belastingclaim en de Amerikaanse tax compliance van [A] (posten A en B, zie 2.11), vermeerderd met € 4.711 en verminderd met € 235 in verband met Nederlandse omzetbelasting. Laatstgenoemde vermindering van € 235 heeft betrekking op een bedrag aan omzetbelasting dat ziet op posten F en G (zie 2.11). Na brutering bedraagt het verkapte dividend € 182.609, aldus de Inspecteur, hetgeen volgens hem moet leiden tot een verdere vermindering van de naheffingsaanslag en de belastingrente. Belanghebbende heeft gemotiveerd weersproken dat sprake is van een winstuitdeling.
5.2.
Het Hof stelt voorop dat met betrekking tot de aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten en omzetbelasting sprake kan zijn van een onttrekking indien moet worden aangenomen dat vermogensbestanddelen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen de vennootschap en de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Indien en voor zover een dergelijke onttrekking kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving. De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten (vgl. HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.4.4).
Onttrekking
5.3.
Ten aanzien van de gemaakte advieskosten van € 127.043 die betrekking hebben op de Amerikaanse belastingclaim en de herstructurering heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een vermogensverschuiving van belanghebbende naar [A] heeft plaatsgevonden. Zoals volgt uit overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.3 van de uitspraak van heden in de zaak met nummer BK-24/991, hebben de gemaakte advieskosten een zakelijk karakter en heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige wanverhouding tussen de door belanghebbende gemaakte advieskosten en het nut daarvan voor de onderneming, dat geen redelijk denkend ondernemer kan volhouden dat die uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. Het voorgaande betekent dat de gemaakte advieskosten voor de vennootschapsbelasting geheel als zakelijke kosten kunnen worden aangemerkt en geheel ten laste van de winst van belanghebbende kunnen worden gebracht. Derhalve heeft geen onttrekking aan het vermogen van belanghebbende plaatsgevonden met betrekking tot de gemaakte advieskosten.
5.4.1.
Ten aanzien van de kosten van € 29.828 die betrekking hebben op de Amerikaanse tax compliance van [A] (zie 2.11) stelt de Inspecteur dat sprake is van een vermogensverschuiving, doordat de kosten aan [A] dienen te worden toegerekend en niet is gebleken dat belanghebbende de intentie heeft gehad deze kosten te verhalen op [A] . Zoals is overwogen in 5.5.1 van de uitspraak van heden in de zaak met nummer BK-24/991, vloeien de compliancewerkzaamheden voort uit fiscale aangifte- en rapportageverplichtingen van [A] in de Verenigde Staten. Hoewel de gegevens die in diverse formulieren dienen te worden ingevuld, betrekking hebben op belanghebbende en/of haar dochtermaatschappijen, was het invullen van de formulieren gericht op het vaststellen van de Amerikaanse inkomstenbelastingpositie van [A] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. De formulieren zijn bovendien ingediend door of namens [A] . Niet gebleken is dat de compliancewerkzaamheden betrekking hadden op het voldoen aan de GILTI-wetgeving. Daarmee hebben de werkzaamheden naar hun aard te gelden als een persoonlijke aangelegenheid van [A] en acht het Hof het aannemelijk dat de kosten uitsluitend zijn gemaakt met het oog op de persoonlijke behoeften van [A] . Gelet op de aanwezige vennootschappelijke betrekkingen tussen belanghebbende en [A] acht het Hof aannemelijk dat het voordeel van de niet-doorbelaste kosten en omzetbelasting ten goede is gekomen aan [A] , zodat zich een vermogensverschuiving van belanghebbende naar [A] heeft voorgedaan ten bedrage van € 29.828. Deze vermogensverschuiving vindt zijn grondslag in de tussen belanghebbende en de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden om een onttrekking te constateren.
5.4.2.
Belanghebbende stelt hiertegenover dat de vermogensverschuiving niet haar grondslag vindt in de vennootschappelijke betrekkingen tussen belanghebbende en haar aandeelhouder, maar in de arbeidsrelatie tussen belanghebbende als werkgever en haar werknemer. Indien [A] geen aandelenbelang zou hebben gehad in belanghebbende, maar in een andere niet-Amerikaanse vennootschap, zouden de kosten die betrekking hebben op de compliancewerkzaamheden in de Verenigde Staten volgens belanghebbende ook zijn gemaakt. Dergelijke kosten zouden door belanghebbende eveneens mogen worden vergoed als extraterritoriale kosten op basis van de International Assignment Agreement en het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2004, CPP2003/641M (ET-regeling), aldus belanghebbende.
5.4.3.
Het betoog van belanghebbende wordt verworpen. Het oordeel dat de compliancekosten door belanghebbende uitsluitend zijn gemaakt met het oog op de persoonlijke behoeften van [A] , brengt tevens mee dat de kosten voortvloeien uit de vennootschappelijke betrekkingen tussen belanghebbende en [A] . De stelling over de extraterritoriale kosten faalt op grond van hetgeen is overwogen in 5.5.2 van de uitspraak van heden in de zaak met nummer BK-24/991.
Winstuitdelingen
5.5.1.
Gelet op het privékarakter van de compliancekosten, de omstandigheid dat [A] enig aandeelhouder van belanghebbende is en gesteld noch gebleken is dat de desbetreffende kosten op [A] zijn of zullen worden verhaald, acht het Hof het aannemelijk dat de voor een uitdeling vereiste bevoordelingsbedoeling aanwezig was. Hetgeen belanghebbende hiertegen heeft ingebracht, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Wat betreft de dubbele bewustheid is van belang dat [A] als zelfstandig bestuurder en enig aandeelhouder van belanghebbende bevoegd is om (als enige) te besluiten over de toerekening van de gemaakte kosten aan hemzelf dan wel aan belanghebbende. Onder deze omstandigheid en gelet op het oordeel dat het voordeel van de niet-doorbelaste kosten ten goede is gekomen aan [A] , en er dus sprake is van een onttrekking, mag ervan worden uitgegaan dat [A] zich in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder bewust moet zijn geweest van zijn handelwijze die heeft geleid tot de vermogensverschuiving van belanghebbende naar [A] , waarbij bedoeld is hem te bevoordelen. De wetenschap van de bevoordeling bij [A] kan eveneens aan belanghebbende worden toegerekend. Dat, zoals belanghebbende stelt, [B] als financieel directeur diverse facturen namens belanghebbende heeft geaccepteerd, doet daaraan niet af. [B] had zich immers redelijkerwijs (ook) bewust moeten zijn geweest van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling, aangezien hij als financieel directeur op de hoogte was, of redelijkerwijs moet zijn geweest, van de verrichte compliancewerkzaamheden en de aard van de daarmee samenhangende kosten.
5.5.2.
Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het feit dat geen vergrijpboete is opgelegd, impliceert dat niet is voldaan aan het vereiste van de aanwezigheid van de dubbele bewustheid. Naar het oordeel van het Hof kan deze stelling belanghebbende niet baten. Dat geen vergrijpboete is opgelegd, neemt niet weg dat aan de voorwaarden van een bevoordelingsbedoeling en dubbele bewustheid is voldaan. Bovendien zijn de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een verkapte winstuitdeling niet gelijk te stellen met de vereisten waaraan moet zijn voldaan bij het opleggen van een vergrijpboete. Om dezelfde reden kan belanghebbendes stelling dat zij beschikte over een pleitbaar standpunt, wat daar ook van zij, haar niet baten.
5.6.
Niet in geschil is dat het bedrag van € 29.828 is gedekt door de bij belanghebbende aanwezige winst in het onderhavige jaar. Nu verder is voldaan aan de voorwaarden van een bevoordelingsbedoeling en dubbele bewustheid met betrekking tot de kosten die zien op de Amerikaanse tax compliance van [A] , vormt het bedrag van € 29.828 een winstuitdeling, zodat het belastbare bedrag van de naheffingsaanslag voor brutering dient te worden verminderd tot € 29.828.
Beschikking belastingrente
5.7.1.
Belanghebbende stelt dat de hoogte van de gehanteerde belastingpercentages niet in verhouding staat tot, en daarmee als disproportioneel dient te worden beschouwd ten opzichte van, de lagere tot negatieve marktrentes in de periode waarover in de onderhavige zaak belastingrente is berekend, zodat sprake is van schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EP EVRM). Belanghebbende bepleit een matiging van de hoogte van de rentepercentages naar primair 0,1 tot maximaal 2, subsidiair 3 en meer subsidiair 4.
5.7.2.
Voor de periode 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2020 gold op grond van artikel 30hb, lid 1, AWR dat het percentage van de belastingrente voor de dividendbelasting gelijk was aan het percentage van de ingevolge artikel 120, lid 2, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Pro Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedroeg. In het kader van de Coronapandemie in 2020 werd het rentepercentage voor de dividendbelasting met terugwerkende kracht tot 1 juni 2020 vastgesteld op 0,01, welke percentage ingevolge artikel 30hb AWR van toepassing bleef tot en met 30 september 2020. Vanaf 1 oktober 2020 tot en met 20 juni 2023 gold ingevolge artikel 30hb AWR dat het percentage van de belastingrente een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage bedroeg, waarbij het percentage van de belastingrente voor de dividendbelasting op grond van artikel 1, letter a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) was bepaald op 4.
5.7.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingrente conform voornoemde wettelijke bepalingen is berekend.
5.7.4.
De berekening van de belastingrente op grond van de van toepassing zijnde wetgeving in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2020 (zie 5.7.2) vloeit rechtstreeks voort uit dwingendrechtelijke voorschriften die zijn neergelegd in een wet in formele zin. Als uitgangspunt staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen daarom in de weg aan toetsing van deze regeling aan (ongeschreven) rechtsbeginselen. Voornoemd toetsingsverbod staat echter niet eraan in de weg dat de wettelijke regeling in een wet in formele zin kan worden getoetst aan een ieder verbindende verdragsbepalingen zoals artikel 1 EP Pro EVRM en het in artikel 14 EVRM Pro neergelegde verbod op discriminatie.
Toetsing wet in formele zin aan het EVRM
5.8.1.
Bij het beantwoorden van de vraag of de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2020 in strijd zijn met artikel 1 EP Pro EVRM, moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens belastingheffing te beschouwen is als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 EP Pro. Elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom dient in overeenstemming te zijn met het nationale recht, waarbij het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar dient te zijn in de uitoefening ervan om willekeur te voorkomen. Een inbreuk dient voorts een legitiem doel in het algemeen belang na te streven, die slechts is toegestaan indien een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe (vgl. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2, en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816). Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 EVRM Pro neergelegde discriminatieverbod in beeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde “fair balance” respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963).
5.8.2.
Het minimumrentepercentage voor de dividendbelasting was tot en met 31 mei 2020 opgenomen in artikel 30hb, lid 1, AWR en toegelicht in de parlementaire behandeling. Daarmee is het nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening.
5.8.3.
Bij de invoering van de belastingrenteregeling per 1 januari 2013 werd voor de hoogte van het rentepercentage uitgegaan van de wettelijke rente voor niet-handelstransacties die ten tijde van de invoering van de belastingrenteregeling 4% bedroeg. Vanaf 1 januari 2014 betrof, onder meer voor de dividendbelasting, het belastingrentepercentage van 4 een minimumpercentage. Deze aanpassing vloeide voort uit het regeerakkoord en kwam voort uit de wens de beoogde budgettaire opbrengst te realiseren (Kamerstukken II 2013/14, 33 755, nr. 3, p. 2):
“Bij de introductie van de regeling van de belasting- en de gewijzigde invorderingsrente is in de budgettaire ramingen uitgegaan van een (gemiddeld) percentage van de wettelijke rente van 4. Doordat dit rentepercentage in werkelijkheid al enige tijd 3 is, wordt de eerder begrote opbrengst thans niet gehaald. Introductie van een ondergrens voor de belasting- en invorderingsrente van 4% leidt ertoe dat alsnog de bij introductie van de regeling beoogde budgettaire opbrengst wordt gerealiseerd. Hoewel de budgettaire opbrengst niet het doel is van de renteregeling, acht het kabinet het noodzakelijk de eerder geraamde opbrengst te realiseren.”
5.8.4.
Het heffen van belastingen in het algemeen, alsmede het berekenen van rente over belastingbedragen, dient in beginsel een legitiem doel. Dat aan een wettelijke regeling (in overwegende mate) budgettaire overwegingen ten grondslag liggen, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat met de inbreuk op het eigendomsrecht geen legitiem doel in het algemeen belang gediend is. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die aan de wetgever toekomt, is het Hof van oordeel dat het (minimum)percentage van 4 niet dusdanig hoog is dat de wetgever buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden. Het Hof verwijst daarbij naar hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, daarover heeft geoordeeld:
“4.11.4. Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. (…)
4.11.5.
In het geval de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. (…). Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat
(i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt,
(ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht,
(iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen,[19] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en
(iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe (…) in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft.
Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
4.11.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
(…)
[19] Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.”
5.8.5.
Aangezien het in artikel 30hb, lid 1, AWR geregelde rentepercentage van 4 voor de dividendbelasting eveneens gelijk is aan de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente, overweegt het Hof dat met het (minimum)percentage van 4 een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd, zodat de onderhavige regeling voldoet aan de vereiste “fair balance” in de zin van artikel 1 EP Pro EVRM.
Toetsing Bbi aan evenredigheidsbeginsel en artikel 1 EP Pro EVRM
5.9.1.
Belanghebbende heeft voorts, naar het Hof begrijpt, gesteld dat de berekende belastingrente in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel, omdat geen sprake is van verzuim in de zin van de Awb. Niet kan worden gesteld dat belanghebbende in verzuim was met betalen bij het opleggen van de belastingaanslag, aldus belanghebbende.
5.9.2.
Het Hof mag de in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2020 van toepassing zijnde wetgeving, zijnde een wet in formele zin, op grond van het in 5.7.4 genoemde toetsingsverbod niet toetsen aan (ongeschreven) rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Voornoemd toetsingsverbod is echter niet van toepassing op bepalingen in het Bbi als algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, zodat het Hof kan en mag toetsen of het in de periode tussen 1 oktober 2020 en 20 juni 2023 van toepassing zijnde artikel 1, letter a, Bbi, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (exceptieve toetsing) (zie CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016, en CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190). Daarbij hanteert het Hof als uitgangspunt dat de besluitgever met de vaststelling van de belastingrentepercentages voor de dividendbelasting in het Bbi niet de aan hem gedelegeerde bevoegdheid heeft overschreden (vgl. HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.2).
5.9.3.
In het hiernavolgende zal het Hof beoordelen of het belastingrentepercentage van 4 zoals dat ingevolge artikel 1, letter a, Bbi van toepassing was voor de dividendbelasting in de periode 1 oktober 2022 tot en met 20 juni 2023 (zie 2.13) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
5.9.4.
Het Hof is van oordeel dat het in artikel 1, letter a, Bbi opgenomen minimumpercentage van 4, zoals dat ook geldt voor de dividendbelasting, niet leidt tot onevenredige gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen, onder verwijzing naar de in 5.8.4 opgenomen overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, waarin is geoordeeld dat het in artikel 1, letter a, Bbi geregelde belastingrentepercentage van 4 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
5.9.5.
Bij toetsing van de relevante bepalingen van het Bbi als algemeen verbindend voorschrift aan artikel 1 EP Pro EVRM, kan evenmin worden gezegd dat het in artikel 1, letter a, Bbi opgenomen rentepercentage van 4 een “fair balance” tussen de belangen van de betrokken belastingplichtigen en het algemene belang niet respecteren en daarom een inbreuk maken op artikel 1 EP Pro EVRM (zie 5.8.4 en vgl. HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.11.4, 4.11.5 en 4.11.6).
5.9.6.
Gelet op al het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbendes klacht niet kan slagen. De in de beschikking belastingrente gehanteerde belastingrentepercentages laat het Hof derhalve in stand.
5.10.
Wel dient de belastingrente te worden verminderd gelet op het oordeel in 5.6. Het Hof stelt de belastingrente vast op € 871.
Immateriële schadevergoeding
5.11.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade indien sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep geldt als uitgangspunt dat binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld uitspraak wordt gedaan (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Het hoger beroep is ingediend op 22 november 2024. Gelet op de uitspraakdatum van heden is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
Slotsom
5.12.
Aangezien de Inspecteur in hoger beroep heeft geconcludeerd tot vermindering van de naheffingsaanslag en van de belastingrente (zie 4.3) is het hoger beroep gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten.
6.2.
Voor de bezwaarfase stelt het Hof de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 666 (1 punt voor het bezwaarschrift à € 666 x wegingsfactor 1).
6.3.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1).
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1).
6.4.
Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover daarin een vergoeding van griffierecht is toegekend en het verzoek om een immateriële schadevergoeding is afgewezen;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een naar een (gebruteerde) opbrengst van
€ 35.091;
  • vermindert de beschikking belastingrente naar een bedrag van € 871;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.402, te vermeerderen met wettelijke rente na het verstrijken van vier weken na de datum van deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening daarvan, en
  • draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente na het verstrijken van vier weken na de datum van deze uitspraak tot de dag van algehele voldoening daarvan.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers R.A. Bosman
De beslissing is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.