ECLI:NL:GHDHA:2025:2735

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BK-25/11
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) en CO2-uitstoot

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag bpm van € 11.191, opgelegd door de Inspecteur van de Belastingdienst. De belanghebbende had aangifte gedaan voor de registratie van een Range Rover Evoque, maar de Inspecteur stelde dat de opgegeven handelsinkoopwaarde te laag was en dat de CO2-uitstoot van de auto, vastgesteld op 244 gram/km, leidde tot een hogere belasting. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar de belanghebbende stelde dat de CO2-uitstoot van vergelijkbare referentievoertuigen lager was en dat dit een schending van artikel 110 VWEU betekende. Het Hof oordeelde dat de CO2-uitstoot van de auto zelf bepalend is voor de bpm-heffing en dat de historische nieuwprijs op € 106.741 moet worden vastgesteld. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en verlaagde de naheffingsaanslag tot € 7.867. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende, vastgesteld op € 4.922, en moest hij griffierechten vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/11

Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 december 2024, nummer SGR 23/5332.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 11.191 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75; en
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 23 juli 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Range Rover Evoque 2.0 Si4 SE Dynamic van het merk Land Rover (de auto). Aan de auto zijn geen “milieuklasse EG-goedkeuring” en EG-typegoedkeuring toegekend nu deze is geproduceerd voor de Amerikaanse markt. De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 605 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 26 juli 2016. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 244 gram/km.
2.2.1.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een expertiseverslag van [naam 1] (het taxatierapport). De auto is op 4 mei 2021 getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een (kilometer)tellerstand van 33.594. In het taxatierapport van 7 mei 2021 is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 76.451 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van vier referentievoertuigen in combinatie met de koerslijst EurotaxGlass’s op € 22.880. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport een bedrag van € 21.880 wegens schade in mindering gebracht (op basis van een schadecalculatie van € 25.413,24 aan reparatiekosten). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat daarmee uiteindelijk bepaald op € 1.000.
2.2.2.
Bij het taxatierapport is een afschrift van de koerslijst EurotaxGlass’s overgelegd. In deze koerslijst is onder meer een “Eurotax basiswaarde” vermeld van € 22.906, een bedrag aan opties van in totaal € 1.032 vermeld en is, nadat de maandaanpassing, kilometerbijstelling en de bijstellingen markt- en dealersituatie zijn toegepast, een inkoopwaarde van € 22.880 bepaald.
2.2.3.
Bij het taxatierapport is als bijlage gevoegd een “Vehicle History Report” (VHR) van de auto van “ [naam 2] ”, dat is gegenereerd op 18 december 2020. Dit VHR vermeldt als “Odometer reading” (tellerstand) 18,342 M (omgerekend 29.518 kilometer,
Hof).
2.3.1.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie. De hertaxatie heeft plaatsgevonden op 28 juni 2021. De bevindingen van DRZ zijn neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 1 juli 2021. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt als (kilometer)tellerstand 33.602 en als “afgelezen kilometerstand DRZ” 33.657 kilometer. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 76.628, de netto catalogusprijs op € 49.713 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 26.387 (aan de hand van de koerslijst EurotaxGlass’s). DRZ heeft rekening gehouden met een aftrek wegens schade van € 2.856 (72% van een gecalculeerde schade van € 3.967). De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vervolgens vastgesteld op € 23.531. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 244 gram/km.
2.3.2.
Bij het rapport onderzoek waardebepaling DRZ is een afschrift van de koerslijst EurotaxGlass’s overgelegd. In deze koerslijst is onder meer een “Eurotax basiswaarde” vermeld van € 22.663, een bedrag aan opties van in totaal € 957 vermeld en is, nadat rekening is gehouden met de maandaanpassing en de kilometerbijstelling, een inkoopwaarde van € 26.387 bepaald. In deze koerslijst is geen rekening gehouden met de bijstellingen markt- en dealersituatie.
2.4.1.
Op 17 november 2021 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer vermeld:
“(…)
Motivering
In de aangifte heeft u de afschrijving bepaald op basis van individuele waardebepaling (met taxatierapport). Het taxatierapport is opgemaakt door [naam 1] met een handelsinkoopwaarde (hierna inkoopwaarde) van € 1000. Deze aangifte is vervolgens door de Belastingdienst geselecteerd voor nacontrole. Medewerkers van Domeinen
Roerende Zaken (hierna DRZ) beoordelen - in opdracht van mij - de aanvaardbaarheid van de waardering c.q. afschrijving ex artikel 10 van de Wet BPM, zoals verwerkt in uw aangifte.
DRZ heeft een inkoopwaarde voor het motorrijtuig vastgesteld van € 23.531. Deze is hoger dan de door u aangegeven inkoopwaarde in de aangifte.
Op grond van de individuele waardebepaling uitgevoerd door DRZ kom ik tot de conclusie dat de inkoopwaarde in het taxatierapport niet juist is en derhalve niet gebruikt kan worden.
In de inkoopwaarde die DRZ heeft vastgesteld is rekening gehouden met schade welke aan het motorrijtuig aanwezig is. Het feit dat DRZ tot deze inkoopwaarde is gekomen ligt in de individuele beoordeling van het specifieke voertuig met zijn specifieke elementen. Vooralsnog ben ik van mening dat ik deze door DRZ vastgestelde inkoopwaarde kan toepassen om tot de vaststelling van de juiste BPM heffing te komen.
In het bijgevoegde uitgebreide onderzoek waardebepaling door DRZ is duidelijk de waarde gemotiveerd met toepassing van de huidige regelgeving ten aanzien van het gebruik van een taxatierapport. DRZ heeft nog geen rekening gehouden met de bijstelling markt- en dealersituatie. Bij de berekening van de naheffing is hier wel rekening mee gehouden.
Gelet op de ontwikkelingen in rechtspraak en regelgeving zal de naheffingsaanslag worden opgelegd op grond van de in bijlage genoemde bedragen.
(…)”
2.4.2.
De berekening die bij de kennisgeving is gevoegd gaat voor het berekenen van de verschuldigde bpm uit van een historische nieuwprijs van € 76.628 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 19.716 (na aftrek van een bedrag wegens schade van € 2.856 op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.572,
Hof). Met toepassing van een extra leeftijdskorting van € 186, komt de verschuldigde bpm in de berekening uit op € 11.796.
2.4.3.
Met dagtekening 31 december 2021 heeft de Inspecteur vervolgens, conform de kennisgeving, een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 11.191 (verschuldigde bpm € 11.796 minus op aangifte voldaan bedrag van € 605).
2.5.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. In de uitspraak op bezwaar is onder meer vermeld:
“(…)
HIW in onbeschadigde & beschadigde staat:
Voor de bepaling van de HIW in ongewijzigde staat ga ik uit van de koerslijst EUROTAX, zoals gegenereerd door de inspecteur in de naheffing. De EUROTAX waarde in deze zelfs lager dan de waarde in belanghebbendes Uit deze koerslijst volgt een HIW basiswaarde in onbeschadigde staat van € 22.663. Na aanpassingen en bijstellingen blijft een HIW in ongewijzigde staat ad. € 22.572.
Hierop komt in aftrek 72% van de door DRZ bevonden schade: 72% x € 3.967 = € 2.856. Aldus:
Eurotax basiswaarde
€ 22.663,00
Maandaanpassing +/+
€ 501,00
Kilometerbijstelling +/+
€ 2.266,00
Bijstelling marktsituatie -/-
€ 2.543,00
Bijstelling dealersituatie -/-
€ 1.272,00
Totaal opties +/+
€ 957,00
Inkoopwaarde
€ 22.572,00
Schade-aftrek: 72% x € 3.967 =
€ 2.856
HIW in beschadigde staat
€ 19.716
De HIW zoals berekend in de naheffing is juist en blijft ongewijzigd.”
2.6.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase respectievelijk de hogerberoepsfase onder meer verstrekt:
  • een overzicht waarin belanghebbende de auto en (uiteindelijk) twee andere Range Rover Evoque stationwagens (referentievoertuigen) op basis van een aantal kenmerken vergelijkt (overzicht referentievoertuigen);
  • een “Begutachtung § 21 StVZO” van [naam 3] te [buitenlandse plaats] (benodigd om een voertuig in Duitsland voor het eerst toe te laten in het geval er geen bestaande nationale of Europese goedkeuring is; de Begutachtung);
  • een “Gutachten zur Erlangung einer Einzelbetriebserlaubnis gem. § 21 StVZO” van [naam 3] te [buitenlandse plaats] (benodigd voor de registratie van voertuigen waarvoor geen EG-typegoedkeuring bestaat; de Gutachten);
  • een “Prüfnachweis über die Durchführung der Abgasuntersuchung (…)” (testcertificaat voor de uitlaatgastest) van [naam 3] te [buitenlandse plaats] van 10 oktober 2019 (het Prüfnachweis).
2.7.
Het onder 2.6 bedoelde overzicht referentievoertuigen vermeldt voor de referentievoertuigen een CO2-uitstoot van 181 gram/km, als “milieuklasse EG-goedkeuring” (emissiecode) 715/2007*2015/45W en als EG-typegoedkeuring e11*2007/46*0223*17 respectievelijk e11*2007/46*0223*16.
2.8.
De onder 2.6 bedoelde Begutachtung en Gutachten vermelden onder meer de “Ausstellungsdatum” (datum van uitgifte) 28 oktober 2019 en een CO2-uitstoot van 244 gram/km (onder onderdeel V.7).
2.9.
De Inspecteur heeft in de beroepsfase onder meer een afschrift van het Duitse kentekenbewijs overgelegd. Het “Zulasssungsbescheinigung Teil I en II” vermelden dat de auto op 21 december 2020 in Duitsland op naam van belanghebbende is gesteld en vermelden een CO2-uitstoot van 244 gram/km. Het “Zulasssungsbescheinigung Teil I” vermeldt onder punt 17 als “Merkmal zur Betriebserlaubnis” (kenmerk van de exploitatievergunning) de letter “E” die staat voor “Einzelgenehmigung” (individuele goedkeuring).
2.10.
Het voertuigbeeld van de RDW vermeldt als CO2-uitstoot 244 gram/km en een (kilometer)tellerstand van 33.602.
2.11.
Het tot het dossier behorende afschrift van de “RDW kentekencheck” vermeldt als “datum eerste afgifte Nederland” 29 juni 2021.
2.12.
In hoger beroep heeft belanghebbende overgelegd een “Kaufvertrag für einen reparierten Unfallwagen/Purchase contract for a repaired accident vehicle” (de aankoopverklaring). Dit betreft een verklaring opgemaakt op 21 december 2020 door de Duitse verkoper van de auto en belanghebbende als koper van de auto. De aankoopverklaring vermeldt een “Abgelesener Kilometerstand/Mileage reading” (tellerstand) van 32.252 kilometer.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“(…)
Schending artikel 110 VWEU/gelijkheidsbeginsel
11. Eiser stelt recht te hebben op een lagere belasting, omdat anders sprake is van een schending van artikel 110 van het VWEU dan wel van het gelijkheidsbeginsel. De referentieauto’s hebben namelijk een lagere CO2-uitstoot (181 gr/km).
12. Uit de aankoopverklaring blijkt dat de auto in Duitsland voor het eerst is toegelaten op de weg. Dat is destijds onderzocht door de TüV. Daarna is de auto kennelijk naar Litouwen gegaan. De rechtbank acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat de auto vanuit een andere lidstaat is ingevoerd. Hieruit volgt dat artikel 110 van het VWEU van toepassing is, anders dan verweerder heeft betoogd.
13. De RDW is ervan uitgegaan dat de auto niet onder een bestaande typegoedkeuring valt. Om die reden is de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. Nu de auto en de door eiser aangewezen referentieauto’s niet dezelfde typegoedkeuring hebben, is geen sprake van gelijksoortige auto’s in de zin van het arrest van 26 april 2024.[3] Van een schending van artikel 110 van het VWEU is daarom geen sprake. Om dezelfde reden faalt ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Er is immers geen sprake van gelijke gevallen.
Historische nieuwprijs
14. De klacht van eiser dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft berekend, is terecht voorgesteld. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[4] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto en niet die van de referentieauto.
15. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het voorgaande leidt tot een hogere afschrijving. Immers, verweerder heeft ter zitting de door DRZ vastgestelde en door eiser overgenomen handelsinkoopwaarde betwist. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de auto is geproduceerd voor de Amerikaanse markt. Dergelijke auto’s plegen over het algemeen op diverse punten af te wijken van auto’s die worden geproduceerd voor de Europese markt bijvoorbeeld voor wat betreft de veiligheidseisen en het gewicht van de auto. Verder heeft verweerder specifiek gewezen op het feit dat de auto een panoramadak heeft en de referentieauto’s niet. Bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde is hiermee geen rekening gehouden. De bewijslast ter zake van de handelsinkoopwaarde rust op eiser.[5] Eiser heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder de door hem voorgestane handelsinkoopwaarde niet aannemelijk gemaakt. Dit brengt mee dat de hogere historische nieuwprijs per saldo niet kan leiden tot een hogere afschrijving.
Slotsom
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
17. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 3 februari 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 17 december 2024 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, elf maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Hierbij zij nog opgemerkt dat in deze zaak het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024[6] van toepassing is. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 5 juli 2023, is de overschrijding geheel aan de bezwaarfase toerekenbaar.
Proceskosten
18. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[7] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en wegingsfactor van 0,25).
19. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[8] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te laten vergoeden.
[3] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
[4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
[5] HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
[6] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
[7] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
[8] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil:
  • of belanghebbende aanspraak kan maken op toepassing van de zogenoemde NEDC1-uitstoot die geldt voor de door hem aangeleverde referentievoertuigen (181 gram/km); en
  • zo dit niet het geval is, of de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in (on)beschadigde toestand op de juiste hoogte zijn vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend; de Inspecteur beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht;
  • tot gegrondverklaring van het beroep;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
  • primair tot vaststelling van de CO2-uitstoot op 181 gram/km (NEDC1), de bruto bpm op € 16.475, de historische nieuwprijs op € 76.628, de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 19.716, de verschuldigde bpm op € 4.173 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.568;
  • subsidiair tot vaststelling van de CO2-uitstoot op 244 gram/km, de bruto bpm op € 46.589, de historische nieuwprijs op € 106.741, de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 19.716, de verschuldigde bpm op € 8.472 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 7.867;
  • meer subsidiair tot vaststelling van de CO2-uitstoot op 244 gram/km, de bruto bpm op € 46.589, de historische nieuwprijs op € 106.741, de verschuldigde bpm op € 9.832 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 9.227.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
De Inspecteur stelt in het verweerschrift in hoger beroep dat de handtekeningen van de zijde van belanghebbende die voorkomen in het onderhavige dossier niet overeenkomen dan wel niet de nodige consistentie vertonen. Het Hof acht aannemelijk dat de handtekeningen niet van verschillende personen zijn en ziet ook overigens geen reden het hoger beroep niet-ontvankelijk te achten.
5.2.
Belanghebbende doet in hoger beroep afstand van het onder 2.2.1 vermelde taxatierapport en de daarin genoemde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat en wenst zich aan te sluiten bij de door de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag in aanmerking genomen handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 19.716 (op basis van de koerslijst EurotaxGlass’s met bijstellingen minus de door DRZ in aanmerking genomen schade van € 2.856 (72% van € 3.967)), die bij de uitspraak op bezwaar ongewijzigd is gebleven.
Europees recht
5.3.
Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is op het onderhavige geschil van toepassing. Gelet op de tellerstand die is vermeld in het, op 18 december 2020 gegeneerde, VHR van “ [naam 2] ” (omgerekend 29.518 kilometer; zie 2.2.3), de tellerstand die is vermeld in de aankoopverklaring van 20 december 2020 tussen een uit Duitsland afkomstige verkoper en belanghebbende (32.252 kilometer; zie 2.11), de datum van eerste registratie van de auto in Nederland (zie 2.12) en de kilometerstanden die zijn vermeld in het voertuigbeeld RDW (33.602 kilometer; zie 2.10), het taxatierapport (33.594 kilometer; zie 2.2.1) en het rapport onderzoek waardebepaling DRZ (33.602 kilometer; zie 2.3.1), is het aannemelijk dat de auto in minimaal één EU-land heeft rondgereden alvorens deze in Nederland is ingevoerd en dat de auto dus vanuit een andere lidstaat is ingevoerd.
CO2-uitstoot
5.4.
Belanghebbende wenst aanspraak te maken op toepassing van de zogenoemde NEDC1-uitstoot (althans het daarbij behorende tarief) die geldt voor de twee door hem aangeleverde referentievoertuigen (181 gram/km). Belanghebbende veronderstelt dat de CO2-uitstoot van de auto van 244 gram/km is vastgesteld aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. Nu belanghebbende twee in Nederland geregistreerde referentievoertuigen heeft aangetroffen die een CO2-uitstoot van 181 gram/km hebben, stelt hij dat hij op grond van artikel 110 VWEU ook aanspraak op die CO2-uitstoot en het bijbehorende tarief kan maken. Anders zou, aldus belanghebbende, sprake zijn van fiscale discriminatie.
5.5.
De Inspecteur weerspreekt dat belanghebbende aanspraak kan maken op een CO2-uitstoot van 181 gram/km. De Inspecteur stelt dat belanghebbende er ten onrechte van uit gaat dat de RDW de CO2-uitstoot zelf, aan de hand van de Scandinavische methode, heeft vastgesteld. De RDW heeft deze CO2-uitstoot overgenomen van het Duitse kentekenbewijs. Bij de afgifte van het Duitse kentekenbewijs is sprake geweest van een individuele goedkeuring. Dit laatste volgt ook uit de Technische Prüfstelle van [naam 3] , die door belanghebbende is overgelegd. De CO2-uitstoot van 244 gram/km geldt dan ook, aldus de Inspecteur.
5.6.
Niet in geschil is dat de auto oorspronkelijk bestemd is voor de Amerikaanse markt en dat voor de auto om die reden, anders dan voor de referentievoertuigen die zijn geproduceerd voor de Europese markt, geen EG-typegoedkeuring is vastgesteld. Omdat de auto niet beschikt over een EG-typegoedkeuring zijn voor de registratie van de auto in Duitsland en de toelating in Duitsland de Begutachtung en de Gutachten afgegeven. Gelet op de gegevens op deze documenten is destijds door TÜV een CO2-uitstoot van 244 gram/km voor de auto vastgesteld.
5.7.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.
5.8.
Het Hof stelt voorop dat de heffing van bpm erop is gebaseerd dat naarmate een personenauto per kilometer meer CO2 uitstoot, meer bpm verschuldigd wordt. De CO2-uitstoot per kilometer is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 per kilometer uitstoot. Met ingang van 1 september 2017 wordt de CO2-uitstoot van op de Europese markt gebrachte auto’s bepaald volgens de WLTP-methode. Tot die datum werd de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Er is sprake van een overgangsfase. Tot 1 juli 2020 vond na meting op basis van de WLTP-methode omrekening plaats naar de NEDC-waarde. Dit hield kort gezegd verband met het feit dat fabrikanten enige tijd in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe typegoedkeuringen aan te vragen en desgewenst hun auto’s aan te passen. Ter onderscheid wordt de waarde die voortvloeit uit de toepassing van de NEDC-methode wel NEDC1 genoemd en de waarde die voortvloeit uit de omrekening van de WLTP-waarde naar de NEDC-waarde NEDC2. Op grond van de restantvoorraadregeling mochten bestaande voorraadmodellen die gefabriceerd waren vóór 1 juni 2018 en die al waren voorzien van een CO2-uitstoot op basis van de NEDC-methode, tot 1 september 2019 geregistreerd worden op basis van die reeds vastgestelde CO2-uitstoot (de transitieregeling). Vaststaat dat de transitieregeling in het onderhavige geval niet van toepassing is.
5.9.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561, het volgende overwogen:
“3.4.1 De heffing van bpm is erop gebaseerd dat naarmate een personenauto meer CO2 uitstoot, meer bpm wordt verschuldigd. De CO2-uitstoot is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 uitstoot. De CO2-uitstoot is een objectief vast te stellen, onderscheidend criterium voor motorvoertuigen en het lijdt geen twijfel dat het Unierecht niet in de weg staat aan het hanteren van een dergelijke objectieve maatstaf van heffing, vooropgesteld dat die maatstaf gelijkelijk geldt voor uit andere lidstaten afkomstige, te registreren motorvoertuigen en voor binnenlandse motorvoertuigen.[2]
3.4.2
De artikelen 10 en 10b van de Wet voorzien erin dat voor een gebruikte personenauto die vanuit het buitenland wordt overgebracht en in het Nederlandse kentekenregister wordt geregistreerd, dezelfde maatstaf van heffing en hetzelfde tarief kan worden gehanteerd als die op enig moment sinds het eerste jaar van ingebruikneming van die personenauto hebben gegolden. Door vervolgens voor die gebruikte personenauto rekening te houden met een vermindering van de verschuldigde bpm naar rato van de afschrijving van de personenauto, strekken deze bepalingen ertoe te voorkomen dat voor uit het buitenland afkomstige motorvoertuigen een hoger bedrag aan bpm ter zake van de registratie wordt geheven dan het bedrag dat wordt geacht nog te rusten op binnenlandse personenauto’s. Voor elke te registreren gebruikte personenauto moet dus in de eerste plaats worden bepaald in welke mate deze CO2 uitstoot. Die uitstoot vormde immers ook in 2011 voor zowel nieuwe als gebruikte personenauto’s mede de maatstaf van heffing.
3.4.3
Dit betekent dat wanneer de auto in 2011 als tweedehands motorvoertuig naar Nederland zou zijn overgebracht en zou zijn geregistreerd in het Nederlandse kentekenregister, artikel 110 VWEU niet eraan in de weg zou hebben kunnen staan dat voor die registratie een bedrag aan bpm zou zijn geheven volgens de voor alle te registreren personenauto’s in dat jaar voorgeschreven en gelijkelijk geldende maatstaf van heffing. De enkele omstandigheid dat in 2011 bij de registratie van andere personenauto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, betekent niet dat artikel 110 VWEU is geschonden. De omstandigheid dat gebruikte personenauto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering zijn, sluit namelijk – ook bij gelijke productiejaren en gelijke tijdstippen van eerste toelating op de weg – niet uit dat de CO2-uitstoot van die personenauto’s verschilt. Anders dan de tweede klacht aanvoert, wordt door verschillen in CO2-uitstoot bij overigens vergelijkbare personenauto’s niet aangetoond dat als uitgangspunt te veel bpm in aanmerking is genomen. Dit geldt ook wanneer ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto in 2016 ervoor wordt gekozen om voor de verschuldigde bpm artikel 10b van de Wet toe te passen en uit te gaan van de in 2011 geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing en het tarief.
(…)
3.6.1
De vaststelling van de CO2-uitstoot van een personenauto moet volgens artikel 9, leden 10 en 11, van de Wet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze worden aangetoond. In cassatie staat vast dat voor de bepaling van de omvang van de CO2-uitstoot van de auto artikel 6a, letter d, van de Uitvoeringsregeling bpm van toepassing is. Volgens die bepaling is een goedkeuring vereist waaruit de emissie van CO2 blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
3.6.2
Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat de daartoe in Duitsland bevoegde instantie (de TÜV) de auto heeft gekeurd en op basis daarvan de CO2-uitstoot van de auto heeft bepaald. Daarmee volstaat de vermelding van de CO2-uitstoot op het Duitse kentekenbewijs voor de aanname dat het gaat om een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, letter d, van de Uitvoeringsregeling bpm. Anders dan de eerste klacht betoogt, vereist noch artikel 9, lid 10, noch artikel 9, lid 11, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm dat de inspecteur de bepaalde CO2-uitstoot nader onderbouwt. (…).
[2] Vgl. het arrest X, punten 34 en 35, in samenhang gelezen met HvJ 9 juni 2016, Vasile Budişan, C‑586/14, ECLI:EU:C:2016:421, punt 29.”
5.10.
Wanneer de CO2-uitstoot van het te registreren motorvoertuig vaststaat, is voor de heffing van bpm de CO2-uitstoot een gegeven kenmerk en kan deze niet meer als variabele worden aangevoerd om eerder in Nederland geregistreerde motorvoertuigen met een lagere CO2-uitstoot als soortgelijk te beschouwen in de zin van artikel 110 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie (vergelijk HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561; zie 5.9). Voor de bepaling van de omvang van de CO2-uitstoot moet van de op een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, lid 2, onderdeel d, vermelde CO2-uitstoot worden uitgegaan (vergelijk HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.6.5).
5.11.
Het Hof acht, gelet op de informatie op de onder 5.3 en 2.9 genoemde documenten, aannemelijk dat in Duitsland sprake is geweest van een individuele keuring en vaststelling van de CO2-uitstoot ten aanzien van de auto, en voorts aannemelijk dat de RDW de in Duitsland vastgestelde CO2-uitstoot heeft overgenomen bij inschrijving van de auto in het Nederlandse kentekenregister. Gelet op het onder 5.9 genoemde arrest is dit ook toegestaan en kan een dergelijke in Duitsland vastgestelde CO2-uitstoot in Nederland worden overgenomen door de RDW.
5.12.
Het Hof is van oordeel dat in dit geval een toets aan artikel 110 VWEU nog tot het in aanmerking nemen van een lagere uitstoot kan leiden. Getoetst aan het gebruikelijke criterium om de soortgelijkheid van voertuigen te beoordelen, is het niet alleen van belang of de auto identiek of soortgelijk is aan in Nederland rijdende auto’s, maar ook of de auto in dezelfde behoefte voorziet. Met andere woorden: of de auto met de referentieauto’s concurreert. Hierbij worden alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, dus ook bijvoorbeeld slijtage en de aanwezigheid van opties.
5.13.
Uit het door belanghebbende overgelegde overzicht (zie 2.6) volgt, mede gelet op de gemotiveerde weerspreking van de Inspecteur, niet dat de daarin opgenomen referentievoertuigen technisch en qua uitvoering vergelijkbaar zijn met de auto en in dezelfde behoefte voorzien. Dat de referentievoertuigen dezelfde basale technische eigenschappen hebben, zoals aantal cilinders, cilinderinhoud en vermogen, is onvoldoende. Verder staat niet vast dat de referentievoertuigen een met de auto vergelijkbare slijtage hebben. Belanghebbende is op dit punt niet geslaagd in zijn bewijslast.
5.14.
Voor de auto zal het Hof dan ook uitgaan van een CO2-uitstoot van 244 gram/km, zoals door de TÜV na een individuele keuring in Duitsland is vastgesteld en door de RDW is overgenomen op het moment dat de auto voor het eerst in Nederland werd ingeschreven.
5.15.
Het Hof overweegt ten overvloede nog dat in het geval belanghebbende van mening is dat de CO2-uitstoot van de auto door TÜV onjuist (te hoog) is vastgesteld, belanghebbende er voor had kunnen kiezen de auto in Nederland (ook) individueel te laten (goed)keuren.
Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde
5.16.
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs van de auto op € 106.741 moet worden bepaald onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Gelijk onder 5.2 reeds overwogen doet belanghebbende in hoger beroep afstand van het onder 2.2.1 vermelde taxatierapport en de daarin genoemde handelsinkoopwaarde in (on)beschadigde staat en wenst zich (met een beroep op het vertrouwensbeginsel) aan te sluiten bij de door de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag in aanmerking genomen handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 19.716 (op basis van de koerslijst EurotaxGlass’s met bijstellingen minus de door DRZ in aanmerking genomen schade van € 2.856 (72% van € € 3.967)), die bij de uitspraak op bezwaar ongewijzigd is gebleven. Voor wat betreft de hoogte van de schade sluit belanghebbende zich dus aan bij het onderzoek waardebepaling van DRZ.
5.17.
De Inspecteur stelt in hoger beroep dat de Rechtbank in rechtsoverweging 14 en 15 een juiste beslissing heeft genomen ten aanzien van de historische nieuwprijs. De historische nieuwprijs kan volgens de Inspecteur niet worden aangepast zonder gevolgen voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Het ligt, aldus de Inspecteur, op de weg van de taxateur van belanghebbende om een en ander aannemelijk te beoordelen en aannemelijk te maken. Het taxatierapport van de zijde van belanghebbende kan niet dienen, zo stelt de Inspecteur, nu de auto al geheel was gerepareerd/hersteld alvorens de auto door de taxateur is opgenomen. Dit blijkt ook al uit het feit dat de taxateur de algemene indruk van de auto, de indruk van het onderstel, het interieur en de banden als goed heeft gekenmerkt en de indruk van de technische staat en de carrosserie als redelijk heeft gekenmerkt in zijn rapport. Met de foto’s en de schadecalculatie heeft men echter een andere indruk willen wekken en de feiten onjuist gepresenteerd, aldus de Inspecteur. Een autohandelaar zou beter moeten weten. Nu desondanks aangifte is gedaan alsof de auto niet was gerepareerd, dient het taxatierapport volgens de Inspecteur met toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te worden verworpen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de handelsinkoopwaarde kan belanghebbende, aldus de Inspecteur, niet baten omdat in de uitspraak op bezwaar wordt verwezen naar de naheffingsfase waarbij expliciet is gecommuniceerd dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
vooralsnogwordt bepaald op een bedrag van € 22.572 (af te leiden uit de onder 2.4.2 weergegeven berekening bij de kennisgeving van de naheffingsaanslag). En overigens, zo merkt de Inspecteur op, geldt voor het vertrouwensbeginsel dat het gaat om vertrouwen dat is gewekt bij belanghebbende en niet om vertrouwen dat is gewekt bij de gemachtigde van belanghebbende.
5.18.
In zijn arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
“(…)
4.2.3.
Met ingang van 1 januari 2015 voorziet de Wet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet aannemelijk te maken, te weten gebruikmaking van de in artikel 10, lid 6, van de Wet bedoelde tabel (de forfaitaire afschrijvingstabel), de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde koerslijstmethode, en – onder voorwaarden – de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode.[4] De wetgever heeft met deze wetswijziging toepassing van de taxatiemethode willen beperken om fraude en misbruik bij gebruikmaking van taxatierapporten te bestrijden. De voornaamste wijziging hield in dat de wetgever de mogelijkheid een taxatierapport voor de waardebepaling te gebruiken, met ingang van 1 januari 2015 heeft beperkt tot (i) schadevoertuigen, met uitsluiting van schadevoertuigen die niet langer deugdelijk van bouw en inrichting zijn (zogenoemde WOK-auto’s), en (ii) voertuigen die, vanwege de geringe mate waarin deze voertuigen in Nederland verhandeld worden, niet op koerslijsten voorkomen. Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat de koerslijstmethode voor een gebruikt motorvoertuig met normale gebruiksschade een representatieve benadering van de werkelijke waarde zal opleveren. Dit is volgens de wetgever het geval indien gekozen wordt voor het gebruik van een koerslijst waarin onder andere de gemiddelde handelsinkoopwaarden van auto’s naar merk, type, uitvoering en leeftijd zijn opgenomen. Deze gemiddelde handelsinkoopwaarden zijn namelijk gebaseerd op een wezenlijk aantal daadwerkelijk uitgevoerde handelstransacties, aldus de wetgever.[5]
4.2.4.
Artikel 10, leden 7 en 8, van de Wet moeten, gelet op hun doel en strekking en in onderlinge samenhang gelezen, zo worden uitgelegd dat de wetgever per 1 januari 2015 de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst heeft willen beperken tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de in de koerslijst opgenomen bijbehorende waarde een representatieve benadering van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig oplevert. Komt een motorrijtuig van een bepaald merk, model, type, uitvoering en leeftijd niet voor in een algemeen toegepaste koerslijst, dan moet de belastingplichtige kiezen tussen waardering op basis van de afschrijvingstabel en waardering met toepassing van de taxatiemethode.
(…)
(…)
[4] Wet van 17 december 2014 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2015), Stb. 2014, 578.
[5] Kamerstukken II 2014/15, 34002, nr. 3, blz. 31 en 32.
(…)”
5.19.
Nadat belanghebbende aangifte heeft gedaan en daarin heeft gekozen voor de taxatiemethode, heeft DRZ op verzoek van de Inspecteur een hertaxatie uitgevoerd. DRZ heeft bij de waardebepaling evenals de taxateur van de zijde van belanghebbende de koerslijst EurotaxGlass’s tot uitgangspunt genomen, en heeft daarbij een aftrek wegens schade in aanmerking genomen. De taxatiemethode is dan ook, gelijk belanghebbende ter zitting van het Hof nogmaals heeft herhaald, mede gelet op het onder 5.18 aangehaalde arrest, van toepassing.
5.20.
In hoger beroep heeft belanghebbende afstand gedaan van het door hem overgelegde taxatierapport en ten aanzien van de mogelijkheid van toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s en de schade zich aangesloten bij het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ. Het Hof accepteert het rapport van DRZ als bewijs van de stand van de auto ten tijde van de aangifte. De ter zitting van het Hof ingenomen stellingname van de Inspecteur dat belanghebbende zich niet op dit rapport zou mogen beroepen, verwerpt het Hof. Dat gaat alleen op als blijkt dat het rapport van DRZ niet bruikbaar is omdat het ook geen goed of bruikbaar beeld geeft van de toestand van de auto ten tijde van de hertaxatie, bijvoorbeeld omdat er nog steeds essentiële gebreken zijn die eerst moeten worden hersteld. Dit heeft de Inspecteur niet aangevoerd en is het Hof ook niet gebleken.
5.21.
Anders dan de Inspecteur bepleit, dient voor de voor de auto verschuldigde bpm niet te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van het referentievoertuig, maar van de CO2-uitstoot (en dus de bruto bpm) van de auto zelf (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703 en ECLI:NL:HR:2023:1714). Niet in geschil is dat de CO2-uitstoot van de auto zelf 244 gram/km bedraagt. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. De historische nieuwprijs bedraagt € 106.741.
5.22.
Het volgen van het standpunt van belanghebbende met betrekking tot de historische nieuwprijs brengt volgens de Inspecteur mee dat ook de handelsinkoopwaarde moet worden aangepast, en dat dit per saldo niet leidt tot een hoger afschrijvingspercentage.
5.23.
Belanghebbende beroept zich met recht op het vertrouwensbeginsel voor wat betreft de bij het opleggen van de naheffingsaanslag vastgestelde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.572. Anders dan de Inspecteur stelt, is bij het opleggen van de naheffingsaanslag, gelet op de inhoud van de kennisgeving en de daarbij gevoegde berekening, expliciet een standpunt ingenomen omtrent de gegevens in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ en de daarin gebruikte koerslijst. Het gebruik van het woord “vooralsnog” maakt dat gelet op de overige bewoordingen van de kennisgeving niet anders. Vervolgens is in de uitspraak op bezwaar nogmaals – en zonder enig voorbehoud – een expliciet standpunt ingenomen (zie 2.5). In de uitspraak op bezwaar is letterlijk opgenomen “De HIW zoals berekend in de naheffing is juist en blijft ongewijzigd.”. Belanghebbende heeft er dan ook met recht op kunnen vertrouwen dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op een bedrag van € 22.572 wordt bepaald. Ook op dit punt is het gelijk aan belanghebbende.
5.24.
Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 7.867.
Slotsom
5.25.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zijn bedrijfsmodel, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het hoger beroep is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van ‘no cure no pay’ heeft en dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (Whpkv) om die reden in het onderhavige geval toepassing mist. Volgens de gemachtigde van belanghebbende kwalificeert hij als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, waarbij hij verwijst naar het arrest HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382. Mede gelet op het voornoemde arrest van 26 september 2025 en de verklaringen van de gemachtigde ter zitting dat hij een vast tarief van € 750 in rekening brengt en dat zijn bedrijfsmodel in 2025 gelijk aan 2024 is gebleven, merkt het Hof de gemachtigde van belanghebbende aan als een bijzonder geval als in het arrest HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Anders dan de Inspecteur, ziet het Hof geen aanleiding om aan de verklaringen van de gemachtigde van belanghebbende te twijfelen. Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten van deze procedure daarom zonder inachtneming van de Whpkv.
6.2.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op:
  • € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak)),
  • € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) à € 907  1 (gewicht van de zaak)),
  • € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de hogerberoepsfase (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  € 907  1 (gewicht van de zaak)),
in totaal derhalve op € 4.922.
6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht van € 184 en het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 7.867;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4.922, en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 473 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen L.D.M.A Reijs
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.