ECLI:NL:GHARL:2025:8081

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.329.357/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen broers over beëindiging samenwerking in agrarisch bedrijf en verbeurde dwangsommen

In deze zaak hebben twee broers, [appellant1] en [geïntimeerde1], al meer dan tien jaar een geschil over de beëindiging van hun samenwerking in een agrarisch bedrijf. De broers zijn in 2010 een vennootschap onder firma gestart, maar hun relatie is verslechterd, wat heeft geleid tot meerdere juridische procedures. De kern van het geschil betreft de vraag of beide broers contractuele boetes verschuldigd zijn en of er dwangsommen zijn verbeurd. De rechtbank heeft in eerdere vonnissen geoordeeld dat [appellant1] in 19 gevallen de veroordeling in een kortgedingvonnis heeft overtreden, wat resulteerde in verbeurde dwangsommen van € 95.000,-. In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat [appellant1] in 17 gevallen de veroordeling heeft overtreden, wat leidt tot een totaalbedrag van € 85.000,- aan verbeurde dwangsommen. Het hof heeft het beroep van [appellant1] op verjaring verworpen en zijn vorderingen in hoger beroep grotendeels afgewezen. Tevens is [geïntimeerde1] in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. De proceskosten zijn toegewezen aan [geïntimeerde1].

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.329.357/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 260628
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant1],
die woont in [woonplaats1] ,
die (principaal) hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [appellant1] ,
advocaat: mr. J.M. van Rongen,
tegen
[geïntimeerde1],
die woont in [woonplaats1] ,
die (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie,
hierna: [geïntimeerde1] ,
advocaten: mr. A.A. Bos en mr. H.E. ter Horst.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellant1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 2 november 2022 en 1 maart 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep,
  • de memorie van grieven tevens houdende incidentele vorderingen (ex artikel 351 Rv en artikel 235 Rv) tevens houdende een akte tot vermeerdering van eis in reconventie van [appellant1] ,
  • de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde1] ,
  • het arrest in het incident ex artikel 351 Rv en artikel 235 Rv van 21 november 2023,
  • de memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerde1] ,
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant1] ,
  • het verslag (proces-verbaal) van de regiezitting op 5 juli 2024,
  • de akte namens [geïntimeerde1] houdende uitlating producties,
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 november 2024 is gehouden.
De zaak staat voor arrest.

2.De kern van de zaak

2.1
[appellant1] en [geïntimeerde1] zijn broers. In 2010 zijn zij een agrarisch bedrijf begonnen. Hun afspraken zijn in 2014 vastgelegd in de vennootschapsovereenkomst van de vennootschap onder firma ‘ [naam1] ’ (hierna: [naam2] ).
2.2
In een periode dat de verhouding tussen beide broers al gespannen was, heeft [appellant1] [geïntimeerde1] op 9 maart 2015 mishandeld. [appellant1] en [geïntimeerde1] hebben toen besloten hun samenwerking te beëindigen. Na onderhandeling is op 14/16 juli 2015 een beëindigingsovereenkomst getekend. Uitgangspunt is dat [geïntimeerde1] de onderneming zal voortzetten als hij aan [appellant1] (tijdig) de waarde van de overbedeling (koopprijs) betaalt. De koopprijs zal in een deskundigenprocedure worden vastgesteld. Hangende de overnameprocedure is [geïntimeerde1] vrijgesteld van werkzaamheden en zet [appellant1] het bedrijf voort. De datum van de ontbinding van de vennootschapsovereenkomst moet nog worden overeengekomen.
2.3
[appellant1] en [geïntimeerde1] verschillen van mening over de wijze waarop de beëindigingsovereenkomst en de vennootschapsovereenkomst moeten worden uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een groot aantal gerechtelijke procedures. De koopprijs is nog steeds niet vastgesteld en de vennootschap onder firma is tot op heden nog niet beëindigd.
2.4
In deze procedure heeft [geïntimeerde1] bij de rechtbank in conventie na wijziging van eis gevorderd dat [appellant1] wordt veroordeeld tot betaling van:
  • € 290.000,- aan dwangsommen
  • € 879.000,- aan contractuele boete doordat [appellant1] het concurrentiebeding in de vennootschapsovereenkomst heeft overtreden.
2.5
[appellant1] heeft bij de rechtbank in reconventie ook vorderingen ingesteld. [appellant1] heeft na wijziging van eis - voor zover toegelaten - gevorderd [geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling van € 1.106.500,- aan contractuele boete doordat hij in strijd met het non-concurrentiebeding handelt.
2.6
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 2 november 2022 op de vorderingen van [geïntimeerde1] in conventie:
  • (6.1) bepaald dat [geïntimeerde1] binnen één week na betekening van het vonnis de naam- en contactgegevens van een derde aan [appellant1] bekendmaakt aan wie [appellant1] inzage in de financiële administratie moet bieden;
  • (6.2.) [appellant1] veroordeeld mee te werken aan de inzage in de financiële administratie door de door [geïntimeerde1] aangewezen derde;
  • (6.3) [appellant1] op straffe van een dwangsom veroordeeld, onder de voorwaarde dat hij niet voldoet aan het bepaalde onder 6.2, afschriften van enige specifiek genoemde administratieve documenten/gegevens te verstrekken;
  • (6.4) de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [geïntimeerde1] over de door hem gestelde overtredingen van de veroordeling uit het kortgedingvonnis van 19 juni 2018.
Het tussenarrest is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing in conventie en reconventie is aangehouden. [appellant1] is van dit tussenvonnis in hoger beroep gekomen (zaaknummer hof: 200.323.939). In hoger beroep is de zaak op de rol doorgehaald met het recht van [appellant1] de zaak weer op de rol te brengen voor verder procederen.
2.7
De rechtbank heeft de procedure hangende het hoger beroep van het tussenvonnis voortgezet. In het eindvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank in conventie (3.1) voor recht verklaard dat [appellant1] in 19 gevallen in strijd heeft gehandeld met de veroordeling in het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 juni 2018 en (3.2) [appellant1] veroordeeld tot betaling van het bedrag aan verbeurde dwangsommen van € 95.000,- (19 x € 5.000,-). De vorderingen van [appellant1] in reconventie zijn afgewezen. [appellant1] is (3.3, 3.4 en 3.5) veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie en in reconventie, de nakosten daaronder begrepen. Behoudens de verklaring voor recht is (3.6) het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.8
[appellant1] wil met het (principaal) hoger beroep bereiken dat het hof het tussenvonnis van 2 november 2022 en het eindvonnis van 1 maart 2023 vernietigt, de vorderingen in conventie van [geïntimeerde1] alsnog afwijst en de gewijzigde vorderingen van [appellant1] alsnog toewijst. De gewijzigde vordering houdt in dat [geïntimeerde1] moet worden veroordeeld tot betaling van € 1.414.500,- aan contractuele boete, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.9
[geïntimeerde1] wil met het (incidenteel) hoger beroep bereiken dat het hof de beslissingen 3.1 en 3.2 in het eindvonnis vernietigt en in plaats daarvan voor recht verklaart dat [appellant1] in 27 gevallen in strijd heeft gehandeld met de veroordelingen in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018, met veroordeling van [appellant1] tot betaling van € 135.000,- aan verbeurde dwangsommen.
2.1
Het hof komt in dit arrest tot de volgende beslissing. [appellant1] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn grief tegen de beslissing van de rechtbank die in het dictum van het tussenvonnis van 2 november 2022 is opgenomen. Ook het hof is van oordeel dat [appellant1] een aantal malen de veroordeling in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 heeft overtreden, maar het hof stelt dit aantal op 17 overtredingen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [geïntimeerde1] met zijn werkzaamheden in zijn eenmanszaak het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden. Het hof zal dit oordeel hieronder toelichten.

3.De feiten

3.1
[appellant1] en [geïntimeerde1] zijn broers. Zij zijn in 2010 een vennootschap onder firma ( [naam2] ) aangegaan met als doel voor gezamenlijke rekening en risico jongvee op te fokken.
3.2
In de schriftelijke overeenkomst van 25 maart 2014 (hierna: de vof overeenkomst) hebben [appellant1] en [geïntimeerde1] hun afspraken vastgelegd. [naam2] heeft tot doel het opfokbedrijf van jongvee uit te breiden naar een volwaardig melkveebedrijf (artikel 2). Iedere vennoot brengt zijn volledige kennis, arbeid en vlijt in (artikel 5). De vof overeenkomst bevat regelingen over de bevoegdheid van iedere vennoot om de vennootschap aan derden te binden (artikel 6 lid 2), het non-concurrentiebeding gedurende de vennootschap (artikel 8), het concurrentiebeding na beëindiging van de vennootschap (artikel 17) en de jaarlijks vast te stellen balans en winst- en verliesrekening (artikel 10). Artikel 11 van de vof overeenkomst bevat een regeling over de aan de vennoten toekomende vergoeding en over het resultaat van de onderneming.
Op grond van artikel 14 sub b van de vof overeenkomst kan de vennootschap eindigen door ontbinding in onderling overleg. In dat geval dienen de vennoten ook te bepalen aan wie de rechten als bepaald in het voortzettingsbeding/toedelingsbeding (artikel 15) zullen toekomen. Deze beëindigingsregeling geldt volgens de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 7A:1684 BW”. Artikel 15 leden 4 en 5 van de vof overeenkomst bepaalt de wijze waarop de waarde van de overbedeling wordt vastgesteld en binnen welke termijn die (positieve) waarde aan de niet voortzettende vennoot moet worden voldaan.
3.3
Ten tijde van het nemen van de memorie van grieven had het melkveebedrijf 265 stuks vee, waarvan 160 melkkoeien. Het bedrijf heeft 13,6 hectare eigen landbouwgrond en 59,4 hectare landbouwgrond van derden in gebruik.
3.4
In een periode waarin er al enige spanningen tussen beide broers waren, heeft [appellant1] [geïntimeerde1] op 9 maart 2015 mishandeld, waarvoor [appellant1] op 11 mei 2015 door de politierechter is veroordeeld. De verstoorde verhouding heeft ertoe geleid dat beide broers in een bespreking op 27 maart 2015 onder leiding van een gespreksleider ( [naam3] ) hebben besloten [naam2] te beëindigen.
3.5
Na onderhandelingen, waarin concept-beëindigingsovereenkomsten zijn uitgewisseld, hebben [appellant1] en [geïntimeerde1] overeenstemming bereikt over de procedure tot beëindiging van [naam2] . Zij hebben dit in een op 14/16 juli 2015 getekende overeenkomst (hierna: de beëindigingsovereenkomst) vastgelegd.
3.6
De beëindigingsovereenkomst bevat de volgende procedureregels. [naam2] zal op een nader overeen te komen datum worden ontbonden (artikel 1). [geïntimeerde1] zal de onderneming voortzetten, tenzij hij geen financiering van de koopprijs kan krijgen (artikelen 1 en 2). In dat laatste geval kan [appellant1] aanspraak maken op voortzetting van de onderneming. De broers zullen over de koopprijs – het bedrag van overbedeling als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de vof overeenkomst – overleggen. Als over de koopprijs geen overeenstemming wordt bereikt, zal de koopprijs door deskundigen, zoals beschreven in de vof overeenkomst, worden vastgesteld (artikel 2).
[geïntimeerde1] verricht (sinds 10 maart 2015) geen arbeid meer binnen de onderneming. [appellant1] zet alle werkzaamheden voort tot partijen over de koopprijs overeenstemming hebben bereikt (artikel 3). [appellant1] verklaart dat hij geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten ten laste van [naam2] zal aangaan (artikel 4). Als [geïntimeerde1] de onderneming voortzet zal [appellant1] de onderneming in goede staat, inclusief alle zaken die behoren tot de onderneming, aan [geïntimeerde1] overdragen (artikel 5).
Zowel [geïntimeerde1] als [appellant1] zullen zich onthouden van iedere handeling waardoor op welke wijze dan ook schade zal ontstaan aan de onderneming dan wel onderdelen en/of de bedrijfsmiddelen en/of het vee en/of welke andere goederen of zaken dan ook van de onderneming (artikel 5).
3.7
Zoals in de beëindigingsovereenkomst was overeengekomen, hebben de broers eerst onderhandeld over de koopprijs. [appellant1] en [geïntimeerde1] hebben over de koopprijs geen overeenstemming bereikt.
3.8
[geïntimeerde1] heeft bij de Kamer van Koophandel zijn eenmanszaak geregistreerd. Als startdatum van de onderneming wordt 1 januari 2016 genoemd. De activiteiten zijn: grondverzet, dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw, verhuur en lease van machines en installaties van de bouw en uitleenbureaus.
3.9
Over de uitvoering van de beëindigingsovereenkomst en de vof overeenkomst zijn geschillen ontstaan. Partijen hebben hun geschillen aan de rechter voorgelegd en zij hebben inmiddels meerdere gerechtelijke procedures gevoerd.
3.1
Op vordering van [geïntimeerde1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) in het vonnis van 23 november 2015 [appellant1] op straffe van een dwangsom veroordeeld een deskundige aan te wijzen. [geïntimeerde1] is daarnaast (voorwaardelijk) gemachtigd zo nodig zelf die deskundige aan te wijzen. De voorzieningenrechter heeft [appellant1] voorts op straffe van een dwangsom veroordeeld om op eerste verzoek van de deskundigen alle documenten die door de deskundigen voor de waardebepaling van belang worden geacht, overeenkomstig artikel 15 van de vof overeenkomst aan de deskundigen ter beschikking te stellen. [geïntimeerde1] heeft het vonnis op 25 februari 2016 aan [appellant1] betekend.
3.11
Ter uitvoering van het kortgedingvonnis van 23 november 2015 heeft [appellant1] de heer [naam deskundige1] aangewezen als deskundige. Deze deskundige heeft samen met de heer [naam deskundige2] , de door [geïntimeerde1] aangewezen deskundige, een derde deskundige aangezocht, te weten de heer [naam deskundige3] (hierna gezamenlijk: de deskundigen [naam deskundigen1] ).
3.12
De deskundigen [naam deskundigen1] wilden voor de taxatie van de activa van [naam2] taxateurs inschakelen. In juni 2016 hebben zij daarvoor aan [appellant1] en [geïntimeerde1] een concept-opdrachtbevestiging gestuurd. In een brief van 5 mei 2017 hebben de deskundigen [naam deskundigen1] het concept gewijzigd en aan partijen de gewijzigde taxatieopdracht toegezonden met het verzoek die opdracht te tekenen. In de gewijzigde taxatieopdracht is een nieuwe bepaling opgenomen, luidende:
“Ondernemers krijgen na het vaststellen van de overnamesom 3 maanden (…) de tijd om het door de deskundigen vastgestelde verschuldigde te voldoen, ter formalisering van de overname, lukt dit niet dan vervallen zijn rechten, tenzij het niet kunnen voldoen van de overnamesom te wijten is aan het handelen van de andere partij. De partijen leveren binnen 5 dagen de gevraagde en benodigde informatie voor financiering, op eerste verzoek van de overnemende partij na het bepalen van de overnamesom.”
3.13
[appellant1] heeft de gewijzigde taxatieopdracht ondertekend. [geïntimeerde1] heeft dit geweigerd en heeft, via zijn toenmalige advocaat, een alternatieve tekst voorgesteld die uitging van een inspanningsverplichting van de overnemende partij ( [geïntimeerde1] ) de financiering voor de overnamesom op zo kort mogelijke termijn te verkrijgen. Voor het geval [geïntimeerde1] niet binnen vijf maanden financiering zou hebben verkregen, zou volgens de alternatieve tekst [geïntimeerde1] wettelijke rente voor handelstransacties aan [appellant1] verschuldigd zijn. Een (maximale) termijn waarbinnen [geïntimeerde1] de financiering geregeld zou moeten hebben, is in de alternatieve tekst niet opgenomen.
3.14
In een brief van 8 augustus 2017 heeft [appellant1] aan [geïntimeerde1] laten weten dat [geïntimeerde1] volgens hem wanprestatie pleegt door de taxatieopdracht niet te tekenen. [appellant1] heeft gemeld dat hij om die reden de beëindigingsovereenkomst van 14/16 juli 2015 buitengerechtelijk ontbindt. [appellant1] heeft voorts meegedeeld dat het adviestraject van de deskundigen [naam deskundigen1] per direct en definitief is geëindigd en dat hij geen medewerking zal verlenen aan de uitvoering van de taxatieopdracht. [appellant1] heeft diezelfde dag ook de deskundigen [naam deskundigen1] meegedeeld dat hij het adviestraject heeft beëindigd.
3.15
In een brief van 10 augustus 2017 van zijn advocaat heeft [geïntimeerde1] laten weten dat hij de beëindiging van de opdracht aan de deskundigen [naam deskundigen1] niet accepteert. De intrekking van de opdracht door [appellant1] acht [geïntimeerde1] in strijd met de veroordeling in het kortgedingvonnis van 23 november 2015. [geïntimeerde1] houdt [appellant1] voor dat [appellant1] daardoor dwangsommen zal verbeuren. [geïntimeerde1] zal, zo heeft hij meegedeeld, die verbeurde dwangsommen incasseren, tenzij [appellant1] alsnog uiterlijk 11 augustus 2017 vóór 12 uur aan de deskundigen [naam deskundigen1] heeft meegedeeld dat de benoeming gehandhaafd blijft. [appellant1] heeft volhard in de intrekking van de opdracht aan de deskundigen [naam deskundigen1]
3.16
[geïntimeerde1] had [naam deskundige2] al als zijn deskundige aangewezen. Op 23 januari 2018 heeft [geïntimeerde1] (voor [appellant1] ) [naam deskundige4] als deskundige aangewezen. Beide deskundigen hebben [naam deskundige5] als derde deskundige erbij betrokken (hierna: deskundigen [naam deskundigen2] ).
3.17
[geïntimeerde1] heeft op 16 april 2018 aan [appellant1] een exploot betekend waarin [appellant1] is aangezegd dat hij over de perioden 10 december 2017 t/m 24 december 2017 en 5 maart 2018 t/m 13 april 2018 heeft verzuimd uitvoering te geven aan het bevel van de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 23 november 2015 een deskundige aan te wijzen. Daardoor is volgens [geïntimeerde1] een bedrag van € 270.000,- aan dwangsommen verbeurd.
3.18
Op vordering van [geïntimeerde1] heeft de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 (7.1) [appellant1] verboden zonder medewerking van [geïntimeerde1] de in artikel 6 lid 2 onder a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten. Aan dit verbod heeft de voorzieningenrechter (7.2) een dwangsomveroordeling gekoppeld, luidende:
“veroordeelt [appellant1] om aan [geïntimeerde1] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij, na betekening van dit vonnis, niet aan de in 7.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt.”
Het verbod en de dwangsomveroordeling zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op 22 juni 2018 is het vonnis aan [appellant1] betekend.
[appellant1] is van dit kortgedingvonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft op 5 juni 2019 mondeling uitspraak gedaan en het vonnis in kort geding bekrachtigd.
3.19
[geïntimeerde1] heeft op 16 november 2018 en 20 november 2018 ten laste van [appellant1] onder [naam2] , onder de Rabobank en onder Friesland Campina executoriaal beslag laten leggen. Deze beslagen zijn gelegd in verband met het verbeuren van dwangsommen uit hoofde van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018. In het vonnis in kort geding van 15 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat deze beslagen blijven liggen, maar dat [geïntimeerde1] de uitvoering van die beslagen moet staken.
3.2
[geïntimeerde1] heeft bij exploot van 11 november 2019 aan [appellant1] gemeld dat [appellant1] veertien maal artikel 6 van de vof overeenkomst heeft overtreden. Daarmee heeft [appellant1] het verbod in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 geschonden, zodat volgens vermelding in het exploot een bedrag van € 70.000,- aan dwangsommen is verbeurd. Daarna heeft [geïntimeerde1] meerdere exploten aan [appellant1] uitgebracht waarmee hij steeds de verjaring van verbeurde dwangsommen wilde stuiten en nieuwe overtredingen heeft aangezegd. Op 10 mei 2022 had [appellant1] 42 overtredingen aangezegd op grond waarvan [appellant1] volgens [geïntimeerde1] € 219.000,- aan dwangsommen verschuldigd is.
3.21
[appellant1] heeft [geïntimeerde1] bij de rechtbank in een bodemprocedure - rechtbank zaaknummer 210483 / hof zaaknummers 200.278.647 en 200.333.184 - (hierna bodemprocedure I) betrokken. [geïntimeerde1] heeft vorderingen in reconventie ingesteld.
De rechtbank heeft eerst een oordeel gegeven over de vraag of [appellant1] de beëindigingsovereenkomst op 8 augustus 2017 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden nadat [geïntimeerde1] weigerde de gewijzigde taxatieopdracht van de deskundigen [naam deskundigen1] te tekenen. In het deelvonnis van 5 februari 2020 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellant1] de beëindigingsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden. Aan de beëindigingsovereenkomst zijn [geïntimeerde1] en [appellant1] volgens de rechtbank nog steeds gebonden. [appellant1] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft bij arrest van 1 februari 2022 het deelvonnis bekrachtigd. Het hof heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor beslissingen over de ontvlechting van de vennootschapsrelatie althans de resterende omvang van het geschil.
3.22
Parallel aan de door [appellant1] aangespannen bodemprocedure, heeft [geïntimeerde1] [appellant1] bij dagvaarding van 17 december 2020 in deze, nieuwe bodemprocedure (hierna: bodemprocedure II) betrokken. In deze bodemprocedure II vordert [geïntimeerde1] onder meer [appellant1] te veroordelen tot betaling van verbeurde dwangsommen van € 250.000,- (50 overtredingen van het verbod in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018) en contractuele boetes van € 879.000,-. [appellant1] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Zo vordert [appellant1] in reconventie [geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling van € 1.106.500,- aan contractuele boetes doordat [geïntimeerde1] het non-concurrentiebeding zou hebben overtreden.
In het deelvonnis van 2 november 2022 heeft de rechtbank op de vorderingen van [geïntimeerde1] , onder meer [appellant1] veroordeeld mee te werken aan het verstrekken van de benodigde inzage in de financiële administratie. Verder is [appellant1] op straffe van een dwangsom veroordeeld, onder de voorwaarde dat [appellant1] aan de veroordeling inzage te verstrekken geen uitvoering heeft gegeven, mee te werken aan het verstrekken van afschriften aan [geïntimeerde1] van nader in het dictum van het vonnis omschreven financiële stukken. Tot slot zijn [geïntimeerde1] en [appellant1] in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de vermeende overtredingen door [appellant1] van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018.
[appellant1] is van het (deel)vonnis van 2 november 2022 in hoger beroep gekomen (zaaknummer hof: 200.323.939/01). [geïntimeerde1] is niet verschenen. In juli 2024 is de zaak op de rol doorgehaald met het recht aan [appellant1] de zaak weer op de rol te brengen.
In het eindvonnis van 1 maart 2023 in deze bodemprocedure II heeft de rechtbank op de vorderingen van [geïntimeerde1] in conventie voor recht verklaard dat [appellant1] in 19 gevallen in strijd met de veroordeling in het kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van 19 juni 2018 heeft gehandeld. Het beroep van [appellant1] op verrekening is verworpen. Als gevolg daarvan is [appellant1] veroordeeld aan [geïntimeerde1] € 95.000,- aan dwangsommen te betalen. De vorderingen in reconventie van [appellant1] zijn afgewezen. [appellant1] is in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld. [appellant1] is van het tussen(deel) vonnis van 2 november 2022 en het eindvonnis van 1 maart 2023 in deze bodemprocedure II in (principaal) hoger beroep gekomen. [geïntimeerde1] heeft ook (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
3.23
De voorzieningenrechter heeft in het in kort geding gewezen vonnis van 9 maart 2023 [appellant1] op straffe van een dwangsom verboden om ‘
gelden door de vennootschap onder firma [naam1] te laten betalen aan [appellant1] zolang onder die vennootschap beslag is gelegd op alle gelden, geldswaarden en vorderingen die de vennootschap onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding zal of mocht verkrijgen, onder haar berusting heeft en/of mocht krijgen ten behoeve van [appellant1]’.
3.24
[geïntimeerde1] heeft op 13 april 2023 executoriaal beslag laten leggen onder [naam2] op al hetgeen [appellant1] van de vennootschap te vorderen heeft tot een bedrag van € 108.010,51. Daarnaast heeft [geïntimeerde1] op 8 mei 2023 executoriaal derdenbeslag laten leggen op al hetgeen [appellant1] te vorderen heeft van Friesland Campina. Dit laatste beslag is daags daarna weer opgeheven.
3.25
De rechtbank heeft in de bodemprocedure I op 3 mei 2023 eindvonnis gewezen. In het eindvonnis is [appellant1] in reconventie onder meer veroordeeld een deskundige aan te wijzen voor de waardebepaling overeenkomstig artikel 15 van de vof overeenkomst. Voorts is het [appellant1] op straffe van een dwangsom verboden zonder voorafgaande toestemming van [geïntimeerde1] de in artikel 6 lid 2 sub a t/m g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten. [appellant1] heeft van dat eindvonnis hoger beroep ingesteld.
3.26
Tegen de achtergrond van het eindvonnis van 3 mei 2023 hebben [geïntimeerde1] en [appellant1] elk een deskundige aangewezen en deze twee deskundigen hebben een derde deskundige aangezocht (hierna: de deskundigen [naam deskundige6] ). De deskundigen [naam deskundige6] hebben [appellant1] en [geïntimeerde1] bij brief van 3 oktober 2023 en e-mail van 27 oktober 2023 gevraagd een gezamenlijke schriftelijke opdracht te verstrekken. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was die gezamenlijke opdracht nog niet verstrekt.
3.27
Het hof heeft in de bodemprocedure I bij arrest van heden het eindvonnis van 3 mei 2023 vernietigd en opnieuw rechtdoende [naam2] op grond van gewichtige redenen ontbonden (artikel 7A:1684 BW). De toedeling en vereffening houdt het hof aan zich. Verder is [appellant1] belast met de vereffening en de continuering van de onderneming hangende de procedure tot vereffening en verdeling. Hangende de vereffening en verdeling is door het hof een bevoegdheidsregeling vastgesteld. Tot slot is geoordeeld dat de beide broers een boedelbeschrijving en de financiële jaarstukken hebben te overleggen en zich moeten uitlaten over de in het kader van de vereffening en toedeling te benoemen deskundigen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

4.Het oordeel van het hof

Vorderingen en grieven in hoger beroep
4.1
[appellant1] heeft (in het principaal hoger beroep) elf grieven tegen het tussen-/deelvonnis en het eindvonnis geformuleerd. [appellant1] vordert dat het hof het vonnis van 2 november 2022 en het eindvonnis van 1 maart 2023 van de rechtbank vernietigt, de vorderingen van [geïntimeerde1] in conventie alsnog afwijst en [geïntimeerde1] veroordeelt tot betaling van € 1.414.500,- met wettelijke rente.
4.2
[geïntimeerde1] komt (in het incidenteel hoger beroep) met zes grieven op tegen het eindvonnis. [geïntimeerde1] vordert vernietiging van de beslissingen onder 6.1 en 6.2 van het eindvonnis. Daarvoor in de plaats moet volgens [geïntimeerde1] voor recht worden verklaard dat [appellant1] in 27 gevallen in strijd met het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 heeft gehandeld. Vervolgens moet, aldus nog steeds [geïntimeerde1] , [appellant1] worden veroordeeld tot betaling van € 135.000,- (27 x € 5.000,-) aan verbeurde dwangsommen.
4.3
[appellant1] en [geïntimeerde1] hebben hun eiswijziging in hun eerste processtuk in hoger beroep gedaan. [geïntimeerde1] heeft zich voor wat betreft de eisvermeerdering van [appellant1] gerefereerd aan het oordeel van het hof. [appellant1] heeft tegen de eiswijziging van [geïntimeerde1] geen bezwaar gemaakt. Het hof is in beide gevallen niet gebleken dat sprake is van strijd met de goede procesorde, zodat op de gewijzigde eisen zal worden beslist.
4.4
De grieven en vorderingen zullen hierna thematisch worden besproken.
Ontvankelijkheid [appellant1] tegen beslissing in dictum (deel)vonnis van 2 november 2022
4.5
Met grief 5 komt [appellant1] op tegen de veroordelingen in het dictum onder 6.2 en 6.3 van het deelvonnis van 2 november 2022 en de daaraan voorafgaande rechtsoverweging 3.31 in dat deelvonnis. [appellant1] is veroordeeld mee te werken aan het verstrekken van inzage in de (volledige) financiële administratie door een door [geïntimeerde1] aan te wijzen derde. Voor het geval dat [appellant1] aan die veroordeling niet voldoet, is hij op straffe van een dwangsom veroordeeld om [geïntimeerde1] een aantal specifieke financiële documenten te verstrekken. Deze twee veroordelingen zijn niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.6
[appellant1] is (tijdig) van alleen dit deelvonnis in hoger beroep gekomen (hof nummer: 200.323.939). [geïntimeerde1] is in die beroepsprocedure niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. [appellant1] heeft (nog) geen grieven genomen. Die procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 2 november 2022 is administratief van de rol gehaald met het recht van [appellant1] de zaak weer op te brengen.
4.7
De vraag rijst of [appellant1] in zijn hoger beroep dat is in gesteld na het eindvonnis van 1 maart 2023, waarbij [appellant1] tevens in hoger beroep is gekomen van het deelvonnis van 2 november 2022, een grief kan richten tegen een beslissing op een vordering van [geïntimeerde1] waarop in het dictum van het deelvonnis is beslist.
4.8
Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat het vonnis van 2 november 2022 een deelvonnis is, omdat op een deel van de vorderingen van [geïntimeerde1] in het dictum uitdrukkelijk is beslist. Door de beslissing op een gedeelte van het gevorderde is in zoverre sprake van een einduitspraak. Een partij die wil opkomen tegen het gedeelte dat een einduitspraak is, moet daarvan binnen de appeltermijn hoger beroep instellen. [1] [appellant1] heeft dat gedaan. Hoewel [appellant1] nog geen grieven in die zaak heeft ontwikkeld, moet in dat (andere) hoger beroep op het einduitspraakgedeelte van het deelvonnis worden beslist. Dit leidt ertoe dat [appellant1] voor wat betreft zijn grief 5, waarmee hij zich richt tegen rechtsoverweging 3.31 en de daarmee samenhangende beslissingen 6.2 en 6.3 in het deelvonnis van 2 november 2022, in dit hoger beroep niet-ontvankelijk is.
4.9
Volledigheidshalve voegt het hof hieraan het volgende toe. Het deelvonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ten gevolge van het door [appellant1] tegen het deelvonnis ingestelde hoger beroep kan het deelvonnis nog niet ten uitvoer worden gelegd. De beslissing van het hof tegen het overige deel van het deelvonnis en het eindvonnis brengt daarin geen verandering. Zolang het hoger beroep tegen het deelvonnis nog aanhangig is en daarop nog niet is beslist, kan de veroordeling in het deelvonnis niet ten uitvoer worden gelegd.
[appellant1] ontvankelijk met betrekking tot de grieven 1 t/m 4 en 6 tegen het deelvonnis
4.1
Met de grieven 1 t/m 4 en 6 komt [appellant1] op tegen rechtsoverwegingen in het vonnis van 2 november 2022 die niet tot beslissingen in het dictum hebben geleid. Het staat [appellant1] vrij tegen die overwegingen in het vonnis van 2 november 2022 op te komen gelijktijdig met het opkomen tegen het eindvonnis. [geïntimeerde1] heeft hiertegen ook geen bezwaar gemaakt. Voor deze grieven is [appellant1] in zijn hoger beroep ontvankelijk.
Aan [geïntimeerde1] gegeven gelegenheid nadere toelichting te geven
4.11
[appellant1] is van mening dat de rechtbank in rechtsoverweging 3.23 van het vonnis van 2 november 2022 ten onrechte [geïntimeerde1] (en daarna [appellant1] ) in de gelegenheid heeft gesteld een nadere toelichting op de door [geïntimeerde1] gestelde overtredingen van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 te geven.
4.12
Deze klacht faalt. In de bestreden rechtsoverweging heeft de rechtbank toegelicht dat de door [geïntimeerde1] gestelde overtredingen op de mondelinge behandeling onvoldoende aan de orde zijn gekomen en dat de rechtbank voor een beslissing nadere inlichtingen behoeft. Dat stond de rechtbank vrij. De rechtbank is ook vrij in de keuze tussen een voortgezette mondelinge behandeling en een aktewisseling. De rechtbank heeft voor de laatste mogelijkheid gekozen. In het kader van de goede procesorde is [appellant1] in de gelegenheid gesteld op de nadere toelichting van [geïntimeerde1] te reageren, van welke mogelijkheid [appellant1] ook gebruik heeft gemaakt.
Handelt [geïntimeerde1] in strijd met het non-concurrentiebeding (artikel 8 vof overeenkomst)?
4.13
[appellant1] heeft gevorderd [geïntimeerde1] te veroordelen tot betaling van de contractuele boete, welke bij de rechtbank na wijziging van eis was gesteld op € 1.180.000,- met rente en in hoger beroep is verhoogd tot € 1.414.500,- met rente.
Ook in hoger beroep legt [appellant1] aan deze vordering ten grondslag dat [geïntimeerde1] vanaf 1 januari 2016 via zijn eenmanszaak zonder toestemming van [appellant1] werkzaamheden verricht waarvan [geïntimeerde1] de inkomsten behoudt en niet in [naam2] inbrengt. Volgens [appellant1] handelt [geïntimeerde1] hiermee in strijd met artikel 8 lid 1 van de vof overeenkomst, zodat [geïntimeerde1] de in artikel 8 lid 2 van de vof overeenkomst overeengekomen boete verbeurt.
4.14
De rechtbank heeft deze vordering van [appellant1] afgewezen. Volgens de rechtbank heeft [geïntimeerde1] erop mogen vertrouwen dat [appellant1] zijn werkzaamheden in de eenmanszaak toestond en in zoverre daarvoor toestemming had gegeven.
4.15
[geïntimeerde1] heeft erop gewezen dat in bodemprocedure I (hof nummer: 200.333.184) de rechtbank in het kader van de door [appellant1] gevorderde ontbinding wegens een tekortkoming, op vergelijkbare gronden in het vonnis van 3 mei 2023 heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] niet in strijd met artikel 8 van de vof overeenkomst heeft gehandeld. Het hof is van oordeel dat [appellant1] aan dat oordeel niet is gebonden, doordat [appellant1] ook tegen die uitspraak hoger beroep bij het hof heeft ingesteld en het hof heden in die zaak beslist, waarbij het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.
4.16
Het hof stelt voorop dat in artikel 5 lid 1 van de vof overeenkomst ieder van de vennoten zijn volledig kennis, arbeid en vlijt inbrengt. Wijziging van de inbreng kan op grond van artikel 5 lid 4 van de vof overeenkomst alleen met voorafgaande schriftelijke instemming van alle vennoten.
Het hof stelt vast dat in artikel 3 van de beëindigingsovereenkomst [geïntimeerde1] vanaf 10 maart 2015 is vrijgesteld van werkzaamheden. Met deze regeling is met inachtneming van de vereisten van artikel 5 lid 4 afgeweken van artikel 5 lid 1 van de vof overeenkomst. [appellant1] heeft daarmee ingestemd.
4.17
Verder staat in artikel 8 van de vof overeenkomst een non-concurrentiebeding tijdens het bestaan van de vennootschap. In artikel 8 lid 1 van de vof overeenkomst wordt het iedere vennoot onder meer verboden tijdens de duur van de vennootschap zonder schriftelijke toestemming van de andere vennoot bij een andere onderneming werkzaam te zijn. De vennoot die het non-concurrentiebeding overtreedt, is op grond van artikel 8 lid 2 van de vof overeenkomst een boete verschuldigd van “€ 5.000,- voor elke overtreding, alsmede € 500,- voor elke dag dat een verboden toestand voortduurt”.
De vraag rijst of [geïntimeerde1] en [appellant1] in de beëindigingsovereenkomst ook zijn afgeweken van artikel 8 van de vof overeenkomst. Voor de beantwoording van deze vraag heeft het hof de beëindigingsovereenkomst uit te leggen.
4.18
In ieder geval staat dit niet met zoveel woorden in de beëindigingsovereenkomst.
Uit de aan de definitieve beëindigingsovereenkomsten voorafgaande concepten, waarin een concreet bedrag aan koopsom waren opgenomen, blijkt voldoende dat toen werd uitgegaan van een spoedige beëindiging van de vennootschap. Dat duidt erop dat in die concepten het niet zinvol was een specifieke regeling over de werking van artikel 8 van de vof overeenkomst over een te komen. Dat is ook niet gebeurd.
In de uiteindelijk getekende beëindigingsovereenkomst is geen concreet bedrag aan koopsom overeengekomen. In dat opzicht wijkt de uiteindelijke beëindigingsovereenkomst van de concepten af. Verder bevat de beëindigingsovereenkomst vooral een procedure, waarbij de duur van de procedure afhankelijk is of de beide broers in het minnelijke traject meteen tot overeenstemming komen over de koopprijs of dat bij gebreke daarvan een deskundigentraject moest worden gevolgd. Over de koopprijs is geen overeenstemming bereikt, zodat het deskundigentraject moest worden opgestart. Een dergelijk deskundigentraject kan veel tijd vergen en dat is achteraf ook gebleken.
[geïntimeerde1] was op grond van de beëindigingsovereenkomst vrijgesteld van het verrichten van arbeid in [naam2] en kon (mede) in verband daarmee in ieder geval vanaf januari 2016 voor zijn levensonderhoud geen aanspraak maken op een vergoeding uit de onderneming. [geïntimeerde1] wil ook (in ieder geval vanaf 2016) geen (jaarlijkse) inkomsten uit de onderneming Ter zitting heeft [geïntimeerde1] dat nog eens bevestigd. Om in zijn levensonderhoud te voorzien heeft [geïntimeerde1] vervolgens in 2016 zijn eenmanszaak opgericht en vanuit die eenmanszaak (niet met [naam2] ) concurrerende werkzaamheden verricht.
Tegen deze achtergrond van de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst en de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven, is voldoende aannemelijk geworden dat in de beëindigingsovereenkomst ten aanzien van [geïntimeerde1] artikel 8 van de vof overeenkomst niet meer van toepassing is. [appellant1] heeft daar aanvankelijk ook geen bezwaar tegen gemaakt. Ook in hoger beroep heeft [appellant1] niet aangevoerd welk belang hij of [naam2] heeft bij handhaving van het non-concurrentiebeding, anders dan het innen van de contractuele boete.
4.19
Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van het hof de rechtbank de vordering van [appellant1] tot betaling van een substantieel bedrag aan contractuele boete wegens schending van het non concurrentiebeding op juiste gronden heeft afgewezen. De daartegen gericht klacht van [appellant1] faalt.
Juridische maatstaf voor beoordeling of dwangsommen zijn verbeurd
4.2
Voor de beoordeling van het geschil stelt het hof het navolgende voorop.
Deze zaak is vooral een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv waarin het gaat over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. In dat geval heeft de rechter (de executierechter) te beoordelen of de voorwaarden, waaronder de dwangsom is verschuldigd, zijn vervuld. De executierechter toetst de verweten handelingen aan de inhoud van de veroordeling in het vonnis zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij de uitleg neemt de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. [2] De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren. [3] Wanneer de veroordeling een algemeen geformuleerd verbod betreft, geldt dat de draagwijdte van het verbod beperkt is tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken, als door de (dwangsom)rechter verboden, opleveren. [4]
4.21
Het is niet aan de executierechter de in de uitspraak, waarin de dwangsom is opgelegd, vastgelegde rechten van partijen opnieuw te beoordelen en te wijzigen. [5] De rechter die de dwangsom heeft opgelegd (de dwangsomrechter) moet op grond van artikel 611d Rv beoordelen over een eventuele opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom. [6] Het is ook aan de dwangsomrechter te onderzoeken of er een onevenredigheid bestaat tussen de dwangsom en het gewicht van de bij tijdige nakoming van de hoofdveroordeling betrokken belangen. [7] In deze zaak is het hof niet de dwangsomrechter, maar de executierechter.
Uitleg kortgedingvonnis van 19 juni 2018
4.22
In het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 is het [appellant1] onder rechtsoverweging 7.1 van het dictum verboden zonder medewerking van [geïntimeerde1] de in artikel 6 lid 2 onder a tot en met g van de vof overeenkomst beschreven (rechts)handelingen te verrichten.
4.23
In artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst zijn onder sub a t/m f de (rechts)handelingen specifiek geformuleerd – zoals overeenkomsten tot (ver)huur, leningen, aanstellen personeel en het stellen van zekerheid – en in sub g van die bepaling algemeen omschreven als “alle” andere rechtshandelingen die de waarde van € 5.000,- te boven gaan. Voor de door [appellant1] verdedigde beperkte uitleg van de vof overeenkomst tot alleen investeringen zijn in de bewoordingen van de vof overeenkomst of anderszins bij de totstandkoming en de uitvoering van de vof overeenkomst voorafgaand aan de breuk tussen beide broers in maart 2015 geen aanknopingspunten gesteld of gebleken.
4.24
In de nadien gesloten beëindigingsovereenkomst van 14/16 juli 2015 is artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst aangevuld. In artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst verklaart [appellant1] (vennoot 1) dat hij geen nieuwe verplichtingen en overeenkomsten ten laste van [naam2] zal aangaan. Ten behoeve van de onderneming is [appellant1] al vrij spoedig na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst in afwijking van artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst allerlei verplichtingen aangegaan. [geïntimeerde1] raakte in ieder geval door de afschriften van de bankrekening van [naam2] met deze handelwijze van [appellant1] bekend en heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.
De beëindigingsovereenkomst laat de werking van de vof overeenkomst in stand voor zover daarvan in de beëindigingsovereenkomst niet is afgeweken. Doordat aan artikel 4 van de beëindigingsovereenkomst geen uitvoering (meer) werd gegeven, bleef artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst onverkort gelden. In het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 is [appellant1] op straffe van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van deze contractsbepaling.
4.25
Eerst in de memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant1] aangevoerd dat de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 ten onrechte ervan is uitgegaan dat na de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst artikel 6 lid 2 van de vof-overeenkomst nog gold. Aan deze stelling gaat het hof voorbij. Allereerst is voor de beoordeling of dwangsommen zijn verbeurd voor het hof als executierechter uitgangspunt het vonnis waarin de dwangsom is opgelegd zonder dat de inhoudelijke juistheid van de beslissingen in dat kortgedingvonnis nog ter beoordeling staat. Ten tweede is deze stelling niet in de memorie van grieven opgenomen, waartoe [appellant1] op grond van de zogeheten tweeconclusieregel gehouden is. Op grond van deze regel heeft [appellant1] in beginsel alle grieven in zijn eerste processtuk in hoger beroep naar voren te brengen.
4.26
Op zichzelf heeft [appellant1] er terecht op gewezen dat in de rechtsoverwegingen 5.7 en 5.9 van het kortgedingvonnis wordt gesproken over door [appellant1] gedane investeringen. In die rechtsoverwegingen staat niet met zoveel woorden dat de voorzieningenrechter de werking van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst in het kader van het op te leggen verbod tot investeringen wil beperken. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat in het door [appellant1]
gemaakte onderscheid tussen ‘investeringen’ en ‘bedrijfskosten’ [geïntimeerde1] als mede vennoot ook aansprakelijk is voor verplichtingen die [appellant1] namens [naam2] aangaat en volgens [appellant1] als bedrijfskosten zijn aan te merken. Het door de voorzieningenrechter gebruikte woord ‘investeringen’ is een omschrijving van de voorbeelden, zoals de aanschaf van de graansilo en de aankoop van fosfaatrechten, waarvoor [geïntimeerde1] aandacht had gevraagd. Tegen deze achtergrond heeft de voorzieningenrechter het op te leggen verbod niet beperkt tot de door [appellant1] bepleite ‘investeringen’. Het hof acht de dwangsomveroordeling op dit punt duidelijk.
De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde1] na de beëindigingsovereenkomst circa 3 jaar geen bezwaar heeft gemaakt tegen door [appellant1] gedane (rechts)handelingen waarvoor hij geen medewerking had verleend, maakt dit oordeel niet anders.
4.27
In rechtsoverweging 7.2 van het dictum in het kortgedingvonnis is aan het opgelegde verbod gekoppeld dat [appellant1] een dwangsom van € 5.000,- “voor iedere dag of gedeelte daarvan” dat hij na betekening van het vonnis niet aan de in rechtsoverweging 7.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet.
Deze beslissing van de voorzieningenrechter volgde op de vordering van [geïntimeerde1] om een dwangsom op te leggen van € 10.000,- per keer dat [appellant1] het verbod overtreedt met een maximum van € 1.000.000,-. Bij de beoordeling van deze twee vorderingen in rechtsoverweging 5.9 van het kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat is komen vast te staan dat [appellant1] zonder overleg met [geïntimeerde1] aanzienlijke investeringen heeft gedaan en dat niet is gebleken dat [appellant1] zich daarvan in de toekomst zal onthouden. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter “Een veroordeling als door [geïntimeerde1] gevorderd is daarmee op zijn plaats”. De voorzieningenrechter beperkt het bedrag van de dwangsom – geen € 10.000,- maar € 5.000,- - en maximeert de dwangsom op het lagere bedrag van € 300.000,-.
4.28
Aan de andere formulering – niet overtreding van het verbod maar overtreding van het verbod voor iedere dag of gedeelte daarvan - heeft de voorzieningenrechter geen expliciete overwegingen gewijd. Het hof stelt voorop dat overtreding van het onder rechtsoverweging 7.1 opgelegde verbod - het verrichten van een rechtshandeling - op zichzelf een eenmalige overtreding is. De door de voorzieningenrechter gebruikte formulering “voor iedere dag of gedeelte daarvan” is op zichzelf een niet ongebruikelijke formulering voor een dwangsom op een eenmalige overtreding. In geval een dwangsom wordt verbeurd voor een overtreding die voortduurt wordt in een dictum na het bedrag van de dwangsom opgenomen “voor iedere dag dat die overtreding voortduurt” of bewoordingen van gelijke strekking. Dergelijke bewoordingen staan niet in het kortgedingvonnis. Onder deze omstandigheden heeft naar het oordeel van het hof de opgelegde dwangsom betrekking op het enkel verrichten van een (rechts)handeling zonder medewerking van [geïntimeerde1] en geldt de dwangsom niet voor iedere dag dat een rechtshandeling die in strijd met het verbod is verricht, niet ongedaan wordt gemaakt.
4.29
Dit betekent dat de rechtbank het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 op juiste wijze heeft uitgelegd en dat het dictum in het licht van de vordering van [geïntimeerde1] en de beoordeling daarvan niet onduidelijk is. De omstandigheid dat de rechtbank tot een lager aantal overtredingen is gekomen dan [geïntimeerde1] had gevorderd, is niet het gevolg van onduidelijkheid van het dictum maar van een verschil van inzicht over de vraag of voldoende is komen vast te staan of het onder 7.1 van het kortgedingvonnis opgelegde verbod is overtreden. De klachten van [appellant1] tegen de uitleg van het kortgedingvonnis falen.
Verjaring verbeurde dwangsommen
4.3
Na de wettelijke regeling voor verjaring van verbeurde dwangsommen te hebben uiteengezet, heeft de rechtbank erop gewezen dat op [appellant1] de stelplicht en de bewijslast rust dat de gevorderde dwangsommen zijn verjaard. [geïntimeerde1] heeft een gemotiveerd en onderbouwd stuitingsverweer gevoerd, waarna de rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant1] heeft nagelaten per overtreding feiten en omstandigheden te stellen dat van verjaring sprake is.
4.31
Het betoog van [appellant1] dat [geïntimeerde1] in ieder geval op 8 januari 2019 bekend is geraakt met de inhuur van een melker voor de periode van december 2018 tot en met mei 2019, zodat de gevorderde dwangsommen die iedere dag vanaf 8 januari 2019 zijn verbeurd in de periode 8 juli 2019 t/m 7 september 2019 zijn verjaard, faalt. Dit betoog - zoals hiervoor is uiteengezet - gaat uit van een onjuiste uitleg van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018.
4.32
Verder heeft [geïntimeerde1] het stuitingsverweer in hoger beroep gehandhaafd. [geïntimeerde1] heeft aangevoerd dat niet alleen de verjaring steeds bij (de overgelegde) deurwaardersexploten is gestuit, maar dat ook na de betekening van het kortgedingvonnis binnen de verjaringstermijn van zes maanden daden van executie zijn gevolgd, zoals het leggen van executoriaal (derden)beslag. Ook in hoger beroep heeft [appellant1] in het licht van deze gemotiveerde en onderbouwde betwisting zijn verjaringsverweer onvoldoende toegelicht en onderbouwd.
Zijn dwangsommen verbeurd?
beslissing rechtbank
4.33
[geïntimeerde1] vordert betaling van verbeurde dwangsommen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant1] in 19 gevallen de door de voorzieningenrechter in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 opgelegde dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 1 maart 2023 dit voor recht verklaard en [appellant1] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde1] van € 95.000,- aan verbeurde dwangsommen. Zowel [appellant1] als [geïntimeerde1] zijn tegen deze beslissing opgekomen.
onmogelijkheid aan het veroordelend vonnis te voldoen en dwangsom is disproportioneel
4.34
De stelling van [appellant1] dat hij door het dwangsomvonnis in kort geding in een onmogelijke situatie is gebracht en – mede in het belang van [geïntimeerde1] - niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan, is kennelijk een beroep op artikel 611d Rv. Verder voert [appellant1] aan dat de dwangsommen disproportioneel zijn.
4.35
Zoals hiervoor is uiteengezet zijn de beoordelingen van die stellingen voorbehouden aan de dwangsomrechter. Het hof is in dit geschil de executierechter, zodat die stellingen buiten beschouwing blijven.
overeenkomsten met derden over gebruik van grond
4.36
[geïntimeerde1] verwijt [appellant1] dat hij in een aantal specifieke gevallen overeenkomsten met derden, waaronder ook [appellant1] en/of zijn vrouw zijn begrepen, is aangegaan voor gebruik van land ten behoeve van [naam2] zonder dat [geïntimeerde1] daaraan zijn medewerking heeft gegeven.
4.37
Zoals uit de kop van het artikel 6 van de vof overeenkomst blijkt heeft deze bepaling betrekking op de vertegenwoordiging van de vennootschap. In de aanhef van deze bepaling wordt gesproken over “ieder van de vennoten” die bevoegd is de vennootschap aan “derden” te binden. Tegen deze achtergrond is met derden bedoeld anderen dan de vennoten.
De overeenkomsten met betrekking tot grond die [appellant1] namens [naam2] met zichzelf - en in een enkel (mede) geval zijn vrouw - is aangegaan en waarbij hij handelend voor zich zelf gronden tegen een vergoeding in [naam2] heeft ingebracht vallen daardoor niet onder het in het veroordelend vonnis opgelegde verbod. Het is ook geen situatie waarin niet betwijfeld kan worden of zij een inbreuk opleveren van het door de dwangsomrechter opgelegde verbod. Ook de rechtbank is van deze uitleg van “derden” uitgegaan, zodat de klachten van [geïntimeerde1] in het incidenteel appel daartegen falen.
4.38
[geïntimeerde1] beroept zich op door [appellant1] namens [naam2] aangegane overeenkomsten, waarbij derden tegen een gebruiksvergoeding gronden aan [naam2] ter beschikking hebben gesteld en [appellant1] daarvoor niet de medewerking van [geïntimeerde1] heeft gevraagd en gekregen.
Uit de stukken leidt het hof af dat het hierbij gaat over onbebouwde grond ten behoeve van agrarisch gebruik. De juridische kwalificatie voor dergelijke overeenkomsten is pacht.
In de opsomming onder artikel 6 lid 2 sub a van de vof overeenkomst wordt pacht niet expliciet genoemd. Huur van grond door een agrarische onderneming als vof Compagner heeft (veelal) te gelden als pacht, zodat naar het oordeel van het hof een redelijke uitleg van artikel 6 lid 2 sub a van de vof overeenkomst meebrengt dat onder “huur” ook moet worden begrepen “pacht”. [appellant1] heeft ook geen andersluidend standpunt ingenomen.
4.39
[appellant1] betwist in een aantal specifieke gevallen dat hij overeenkomsten voor het gebruik van grond is aangegaan.
[geïntimeerde1] heeft gesteld dat [appellant1] namens [naam2] met akkerbouwbedrijf [naam4] een overeenkomst is aangegaan voor het tegen een vergoeding gebruiken van drie percelen. Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde1] overgelegd gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en een aan [naam2] gerichte factuur voor het gebruik van de grond. Hiermee heeft [geïntimeerde1] voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een overeenkomst voor geliberaliseerde pacht. Dat volgens [appellant1] steeds een ander perceel in gebruik zou zijn gegeven doet op zichzelf aan de kwalificatie van een overeenkomst voor gebruik van grond niet af.
[geïntimeerde1] heeft met stukken onderbouwd aangevoerd dat [naam2] het perceel grasland van 1.2ha, aangeduid met nummer 84, in gebruik heeft. Ook heeft [geïntimeerde1] gesteld dat hij voor dat gebruik geen medewerking heeft verleend. In de conclusie van antwoord onder nummer 204 heeft [appellant1] het gebruik van dat stuk land door [naam2] erkend. Onder deze omstandigheden kon [appellant1] met een enkele betwisting van de overeenkomst niet volstaan.
De rechtbank heeft daardoor in deze gevallen terecht aangenomen dat [appellant1] het verbod in het kortgedingvonnis van 18 juni 2018 heeft overtreden en dwangsommen verbeurd.
4.4
Uit de stukken leidt het hof af dat de overeenkomsten voor korte duur zijn aangegaan. Volgens [geïntimeerde1] veelal voor een jaar. [appellant1] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Daarmee is aannemelijk geworden dat de overeenkomsten zijn te kwalificeren als geliberaliseerde pacht, zoals ook blijkt uit bijvoorbeeld de overgelegde pachtovereenkomst met Staatsbosbeheer. Overeenkomsten voor geliberaliseerde pacht eindigen door enkel tijdsverloop. Anders dan [appellant1] betoogt, is bij geliberaliseerde pacht voor een beperkte duur een opzegging niet vereist. Als na het tijdsverloop de pacht wordt voortgezet is in juridische zin sprake van een nieuwe pachtovereenkomst. In die gevallen is op grond van artikel 6 lid 2 sub a van de vof overeenkomst steeds de medewerking van [geïntimeerde1] vereist.
Dit betekent dat de klachten van [appellant1] tegen het oordeel van de rechtbank over de overeenkomsten geliberaliseerde pacht met de provincie Overijssel met betrekking tot een perceel aan [plaats1] , een perceel in het [plaats2] en een perceel 1.21.13ha grasland, die na ommekomst van de overeengekomen termijn zijn voortgezet, falen.
Dat geldt eveneens voor de klacht van [appellant1] over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het perceel dat [naam2] van de [plaats3] gemeente [woonplaats1] in gebruik had. De omstandigheid dat de [plaats3] heeft verklaard dat de overeenkomst is verlengd doet er niet aan af dat op zichzelf volgens het wettelijk stelsel de overeenkomst voor geliberaliseerde pacht voor de oorspronkelijk overeengekomen termijn eindigde en met de instemming van de verlenging formeel een rechtshandeling werd verricht die onder het bereik van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst valt. Ook voor dat nieuwe jaar heeft [geïntimeerde1] met overlegging van een bankafschrift voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam2] voor dat verlengde gebruik heeft betaald.
Op zichzelf is niet in geschil dat [naam2] voor bepaalde tijd percelen van Staatsbosbeheer in gebruik heeft. Doordat het er voor moet worden gehouden dat overeenkomsten voor geliberaliseerde pacht na ommekomst van de termijn eindigen, heeft [appellant1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij met een voortgezet gebruik van die percelen in juridische zin geen nieuwe (pacht)overeenkomst is aangegaan. Het bezwaar van [appellant1] tegen deze opgelegde dwangsom faalt daarmee.
4.41
In rechtsoverweging 2.11 van het eindvonnis heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat [appellant1] zeven maal in strijd heeft gehandeld met het kortgedingvonnis van 18 juni 2018.
geldleningen
4.42
In artikel 6 lid 2 sub b van de vof overeenkomst staat dat de medewerking van de andere vennoot vereist is voor (onder meer) het lenen van gelden en het aangaan van kredietovereenkomsten. De rechtbank heeft in twee gevallen aangenomen dat [appellant1] in strijd met deze bepaling heeft gehandeld en daarmee voor die gevallen het verbod in het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 heeft overtreden.
4.43
In het eerste geval heeft de moeder van [geïntimeerde1] en [appellant1] op 7 oktober 2018 aan [naam2] tweemaal een bedrag van € 3.000,- overgemaakt. Na vier dagen heeft vof Compagner het totaalbedrag van € 6.000,- terugbetaald. In het tweede geval is eveneens op 7 oktober 2018 maar dan vanaf de en/of rekening van [appellant1] en zijn vrouw een bedrag van € 950,- naar [naam2] overgeboekt en ook vier dagen later terugbetaald.
4.44
Gelet op doel en strekking van de door de kortgedingrechter gegeven veroordeling strekt het gegeven verbod zich niet uit tot het door familieleden voor enkele dagen aan [naam2] voor de dagelijkse voortgang van de werkzaamheden beschikbaar stellen van op zichzelf betrekkelijk bescheiden bedragen aan geld. Bij een dergelijke handelwijze kan daardoor ook worden betwijfeld of het een inbreuk op het door de voorzieningenrechter gegeven verbod oplevert.
4.45
Daarnaast heeft voor het tweede geval nog te gelden dat voor zover al van een lening sprake is het geen lening van een derde in de zin van artikel 6 lid 2 sub b van de vof overeenkomst is.
4.46
Een en ander betekent dat de rechtbank in beide gevallen ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant1] het verbod in het kortgedingvonnis heeft overtreden en een dwangsom heeft verbeurd. Het vonnis zal in zoverre worden vernietigd.
personeel
4.47
Zonder medewerking van de andere vennoot is het op grond van artikel 6 lid 2 sub d van de vof overeenkomst niet toegestaan personeel aan te stellen en te ontslaan en hun salarissen en arbeidsvoorwaarden vast te stellen. De rechtbank heeft in het eindvonnis geoordeeld dat [appellant1] met het inschakelen van twee melkers en hun salaris en overige arbeidsvoorwaarden te bepalen in strijd met deze bepaling heeft gehandeld en daarmee het verbod van het kortgedingvonnis van 19 juni 2018 heeft overtreden. Een dwangsom van tweemaal € 5.000,- is verbeurd.
4.48
Het beperkte verweer van [appellant1] in hoger beroep dat de werkzaamheden van beide melkers voor enkele maanden zijn geweest en dat zij op afroep basis werkzaamheden hebben verricht, doet aan de overtreding van het verbod in het kortgedingvonnis niet af. De rechtbank heeft daardoor terecht aangenomen dat tweemaal dwangsommen van € 5.000,- zijn verbeurd.
rechtshandelingen die het belang of de waarde van € 5.000,- ex btw te boven gaan
4.49
Op grond van artikel 6 lid 2 sub g van de vof overeenkomst is steeds de medewerking van de andere vennoot vereist voor het aangaan van andere rechtshandelingen dan de onder sub a t/m f genoemd waarvan het belang of de waarde het bedrag van € 5.000,- (excl. btw) te boven gaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant1] acht maal in strijd met deze bepaling heeft gehandeld en daarmee ook acht maal het verbod in het kortgedingvonnis heeft overtreden.
4.5
Bij de beoordeling van de klachten van [appellant1] in hoger beroep stelt het hof voorop dat voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een rechtshandeling boven of onder de € 5.000,-, beslissend is wat [appellant1] namens [naam2] met een derde daadwerkelijk is overeengekomen en niet op welke wijze aan de gemaakte afspraak door partijen vorm en/of uitvoering is gegeven.
4.51
Niet in geschil is dat [appellant1] namens [naam2] van [naam5] , [naam4] en [naam6] mais heeft gekocht. [geïntimeerde1] heeft toegelicht dat bij de aankoop van mais, dat op een perceel/percelen wordt verbouwd, een overeenkomst wordt gemaakt, waarbij vervolgens het oogsten, hakselen en inkuilen van die mais op dat perceel/die percelen in een keer en in een aaneengesloten proces wordt uitgevoerd. Voor het hakselen en inkuilen heeft [naam2] het loonbedrijf [naam7] Loon- en Grondwerken ingeschakeld. [appellant1] heeft onvoldoende weersproken dat dit de gebruikelijke gang van zaken is.
Tegen deze achtergrond, waarbij mede acht is geslagen op de door [appellant1] overgelegde verklaringen, acht het hof voldoende aannemelijk dat de contractspartijen een afspraak voor het totaal aan werkzaamheden hebben gemaakt en hebben afgesproken de afspraak in afzonderlijke opdrachten van net onder de € 5.000,- te brengen. Het is buiten twijfel dat een dergelijke handelwijze om een rechterlijk verbod te omzeilen een inbreuk op de gegeven veroordeling in het kortgedingvonnis oplevert. De rechtbank heeft daarmee terecht aangenomen dat [appellant1] vijf keer een rechtshandeling heeft verricht die het bedrag van € 5.000 te boven gaat.
4.52
Niet in geschil is dat [appellant1] namens [naam2] in het najaar van 2021 bij Handelsonderneming [naam8] BV een shovel heeft gekocht. Het totaalbedrag van de shovel is € 19.360,-. Volgens [appellant1] heeft hij de afzonderlijke onderdelen van de shovel gekocht, waarbij elk onderdeel onder de limiet van € 5.000,- bleef. De onderdelen zijn afzonderlijk gefactureerd en op dezelfde dag verzonden. Na koop en levering zou de shovel zijn opgebouwd.
Ook hiervoor geldt dat naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk is gemaakt dat [naam2] met de Handelsonderneming [naam8] BV een koopovereenkomst voor een shovel heeft gesloten, waarbij is overeengekomen de koopprijs administratief te splitsen in bedragen van steeds onder de € 5.000,-. Deze afspraak laat onverlet de bedoeling van de contractspartijen tot aankoop van de (gehele) shovel. Die aankoop vereist vanwege het daarmee gemoeide bedrag de medewerking van [geïntimeerde1] . Die medewerking is niet gevraagd en verkregen, zodat ook in dit geval het verbod van het kortgedingvonnis is overtreden en de dwangsom is verbeurd.
4.53
[appellant1] heeft namens [naam2] bij [naam9] een mesttank De Zwaef en een bemester Joskin silo disc gekocht. [appellant1] heeft met onderbouwing van de mail van [naam9] van 6 september 2023 aangevoerd dat voor de mesttank minder dan € 5.000,- is betaald en dat de bemester € 2.600,- heeft gekost. [geïntimeerde1] heeft er op gewezen dat op 3 februari 2022 aan [naam9] € 3.146,- en € 5.929,- is betaald. Deze bedragen zijn naar mag worden aangenomen inclusief btw. Uitgaande van een btw percentage van 21% zijn beide betalingen - in één geval net - onder het minimumbedrag van € 5.000,-. Voorts heeft [geïntimeerde1] aangevoerd dat de mesttank is betaald met een geldbedrag en een inruil van de oude mesttank.
Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert zijn deze twee koopovereenkomsten niet als een geheel te beschouwen. De mesttank en de bemester zijn op zichzelf afzonderlijke zaken. De enkele omstandigheid dat beide zaken samen werden gekocht en samen kunnen worden gebruikt, maakt niet dat van één overeenkomst sprake was.
[appellant1] heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat de mesttank is betaald met een geldbedrag en de inruil van een oude silo die tezamen meer dan het minimumbedrag van € 5.000,- opleveren. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant1] met de aankoop van de mesttank het verbod in het kortgedingvonnis heeft overtreden. De rechtbank heeft dit terecht aangenomen.
4.54
[appellant1] heeft namens [naam2] bij [naam10] fosfaatrechten (lease rechten) gekocht. Uit de door [appellant1] overgelegde verklaring van [naam10] van 8 september 2023 blijkt dat op 15 december 2020 100 kg lease rechten en op 16 december 2020 62 kg lease rechten zijn verkocht, die op respectievelijk 17 en 21 december 2020 zijn betaald. De levering van 162 kg fosfaatrechten heeft op 22 december 2020 plaatsgevonden.
Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de bedoeling van de contractspartijen is geweest 162 kg fosfaatrechten te kopen, waarbij is overeengekomen de koop administratief in twee tranches te splitsen. [appellant1] heeft in ieder geval – anders dan onder de drempel van € 5.000,- uit te komen – geen toereikende verklaring gegeven waarom in dit geval sprake zou zijn van twee afzonderlijke overeenkomsten die daags na elkaar zijn gesloten en voordat aan de eerste koopovereenkomst uitvoering was gegeven al een tweede koopovereenkomst werd aangegaan. De rechtbank heeft dan ook terecht aangenomen dat [appellant1] hiermee het verbod in het kortgedingvonnis heeft geschonden en de dwangsom heeft verbeurd.
verbeurde dwangsommen
4.55
Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van het hof [appellant1] niet 19 maar 17 dwangsommen heeft verbeurd. Dit leidt tot het totaalbedrag van € 85.000,-.
matiging dwangsom
4.56
Anders dan [appellant1] betoogd is voor matiging van verbeurde dwangsommen geen plaats. De omstandigheid dat [geïntimeerde1] geen of minder schade heeft geleden dan de verbeurde dwangsommen is geen reden tot matiging. De dwangsom is de sanctie op het niet nakomen van een rechterlijk bevel. [geïntimeerde1] heeft er op zichzelf belang bij dat [appellant1] zijn verplichting op grond van artikel 6 lid 2 van de vof overeenkomst nakomt en daarmee het verbod in het kortgedingvonnis niet overtreedt.
Verrekening
4.57
Nu ook het hof tot het oordeel komt dat [geïntimeerde1] het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden en daardoor geen boete verschuldigd is, is verrekening met de door [appellant1] verbeurde dwangsommen niet aan de orde. De rechtbank heeft op goede gronden dit verweer van [appellant1] verworpen.
Afwijzing meer of anders gevorderde
4.58
Uit de toelichting bij de klacht van [appellant1] blijkt dat hij wil dat het hof aan hem een voorschot op zijn vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden in [naam2] toekent.
4.59
Het hof heeft heden in de parallelle procedure [naam2] ontbonden. In het kader van de afwikkeling van de vennootschap zal onder meer aan de orde komen of en op welke wijze rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden die [appellant1] vanaf maart 2015 in [naam2] heeft verricht. Mede gelet op het ontbreken van financiële gegevens en de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde1] dat aan [appellant1] enige vergoeding toekomt, zijn in dit stadium onvoldoende aanknopingspunten een voorschot voor de werkzaamheden van [appellant1] toe te kennen. De vordering van [appellant1] zal in zoverre dan ook worden afgewezen.
proceskosten
4.6
Het geschil betreft een zakelijk geschil tussen beide broers en het hof ziet gelet daarop in de familierelatie geen reden om de proceskosten te compenseren.
4.61
[appellant1] wordt in het principaal hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld. [appellant1] wordt in de proceskosten veroordeeld. Voorts heeft [appellant1] de proceskosten van het incident te dragen. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [8]
4.62
Het incidenteel appel van [geïntimeerde1] wordt afgewezen, zodat hij in de proceskosten wordt veroordeeld.
4.63
Bij de rechtbank blijft [appellant1] in conventie de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat hij terecht is veroordeeld in de proceskosten in conventie. Daaronder valt ook de door de rechtbank toegewezen nakosten. Ook de beslissing van de rechtbank in reconventie blijft in stand, zodat [appellant1] door de rechtbank terecht in de proceskosten is veroordeeld.
uitvoerbaar bij voorraad
4.64
Behalve de proceskosten in het incidenteel appel kunnen de veroordelingen in deze uitspraak ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
verklaart [appellant1] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het deelvonnis van de rechtbank Overijssel van 2 november 2022 voor zover dat beroep zich richt tegen de definitieve beslissingen op het gevorderde (de beslissingen in rov. 6.1, 6.2 en 6.3 van dat deelvonnis en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen);
5.2
bekrachtigt de beslissingen 6.4 t/m 6.6 in het deelvonnis van de rechtbank Overijssel van 2 november 2022;
5.3
vernietigt de beslissingen in van het eindvonnis van 1 maart 2023 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, behalve de beslissingen 3.3 t/m 3.7 die hierbij worden bekrachtigd,
en beslist:
5.4
verklaart voor recht dat [appellant1] in zeventien gevallen genoemd in rechtsoverwegingen 2.10.4, 2.10.7, 2.10.10, 2.10.15, 2.10.25, 2.10.28, 2.12,6, 2.17, 2.25.2, 2.28, 2.42, 2.49 en 2.53 van het eindvonnis van 1 maart 2013 in strijd met de veroordeling in het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 juni 2018 heeft gehandeld;
5.5
veroordeelt [appellant1] tot betaling aan [geïntimeerde1] van de dwangsommen in totaal € 85.000,-;
5.6
veroordeelt [appellant1] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] in het principaal appel:
€ 343,- aan griffierecht
€ 18.651,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] (3 procespunten x appeltarief VIII)
5.7
bepaalt dat al de kosten onder 5.6 moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.8
veroordeelt [geïntimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant1] in het incidenteel appel:
- € 1.571,- aan salaris van de advocaat van [appellant1] (2 procespunten x helft appeltarief III)
5.9
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad behalve de veroordeling onder 5.8;
5.1
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.H. de Witte, O.E. Mulder en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
16 december 2025.

Voetnoten

1.HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905 en HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924.
2.HR 20 mei 1994, NJ 1994/652; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400 en HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007.
3.HR 20 mei 1994, NJ 1994/652 en conclusie AG Verkade voor HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8218.
4.HR 15 april 2005, ECLI:HR:2005:AS5238.
5.HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400; BenGH 30 september 2010, ECLI:NL:XX:2010:BO2939, NJ 2013/350; HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532 en HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2455.
6.BenGH 12 februari 1996, ECLI:NL:XX:1996:AC3280 en HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1941.
7.HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8095.
8.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.