Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag BPM en een boete opgelegd wegens het gebruik van een in Spanje geregistreerde auto in Nederland zonder betaling van BPM. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en naheffingsaanslag en boete verminderd, en immateriële schadevergoeding toegekend. In hoger beroep stelde belanghebbende dat het verdedigingsbeginsel was geschonden, dat de naheffingsaanslag onterecht was, en dat rente en proceskosten hoger moesten zijn.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende wel degelijk is gehoord en dat geen schending van het verdedigingsbeginsel heeft plaatsgevonden. Het Hof bevestigde dat de auto duurzaam in Nederland werd gebruikt, wat het belastbare feit vormt voor BPM-heffing. De naheffingsaanslag werd verminderd op basis van door belanghebbende geleverd tegenbewijs omtrent de waarde van de auto. De boete werd eveneens verlaagd vanwege de lagere naheffingsaanslag en overschrijding van de redelijke termijn.
Verder werd geoordeeld dat de rentevergoeding conform de wettelijke bepalingen moet worden berekend en dat een vergoeding van rente over griffierecht niet toekomt. De immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd door het Hof verhoogd en verdeeld over de Inspecteur en de Staat. Tot slot werd een proceskostenvergoeding toegekend voor bezwaar, beroep en hoger beroep.