ECLI:NL:HR:2011:BU4804
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens niet-naleving uren- en gebruikelijkheidscriterium
Belanghebbende, die samen met haar echtgenoot en anderen een vennootschap onder firma dreef, kreeg voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd. Deze aanslag werd gehandhaafd na bezwaar en door rechtbank en hof bevestigd.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende voldeed aan het urencriterium van artikel 3.6, lid 1, Wet IB 2001, en of haar werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren, zoals bedoeld in artikel 3.6, lid 2, letter a, Wet IB 2001. De Hoge Raad oordeelde dat de bewijslast voor het niet-hoofdzakelijk zijn van ondersteunende werkzaamheden bij belanghebbende lag, ook bij een navorderingsaanslag.
Daarnaast werd het gebruikelijkheidscriterium besproken. Het hof vond dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het samenwerkingsverband met haar echtgenoot niet ongebruikelijk was, mede omdat de winkel slechts een onderdeel was van de onderneming. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad wees verder af dat proceskosten werden toegewezen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.