ECLI:NL:GHAMS:2026:1492

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
25/00677
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 aanhef en letter b WBRArt. 4 lid 1 WBRArt. 3.4 Wet IB 2001Art. 35e lid 1 aanhef en onder c Successiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging certificaten aandelen

In deze zaak stond centraal of de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) van toepassing is op de verkrijging van certificaten van aandelen in een BV, in plaats van de aandelen zelf.

De rechtbank had de vrijstelling al toegepast en de naheffingsaanslag verminderd. De inspecteur stelde in hoger beroep dat zonder volledige zeggenschap over de onderneming geen sprake kan zijn van voortzetting en dus geen recht op vrijstelling bestaat. Het hof oordeelde dat uit de wettekst, wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen vereiste van volledige zeggenschap volgt.

Het hof benadrukte dat certificaten die het economische belang in aandelen vertegenwoordigen gelijkgesteld kunnen worden aan de aandelen zelf, en dat het voortzettingsvereiste inhoudt dat de onderneming economisch wordt voortgezet, niet dat volledige zeggenschap is overgedragen. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van de inspecteur wordt ongegrond verklaard en de bedrijfsopvolgingsvrijstelling wordt bevestigd voor de verkrijging van certificaten van aandelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/677
28 mei 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 19 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/7025 in het geding tussen
[X] ,wonende te [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A.F. de Jong)
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, alsmede de daarbij in rekening gebrachte belastingrente:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tot een bedrag van € 1.786.392;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van het beroep van [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.187,50; en
- draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 51 aan [belanghebbende] te vergoeden.”
1.2.
De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld en heeft de gronden van het hoger beroep bij brief van 20 maart 2025 aangevuld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

Uitgegaan kan worden van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank al vastgestelde feiten, waarvan geen van beide partijen de juistheid heeft bestreden.
2.1.
Via dochtervennootschappen exploiteert [A BV] (hierna: de BV, ook samen met de dochtervennootschappen) vastgoed. Tot 11 september 2012 was de vader van belanghebbende, [vader] (hierna ook: vader) de enige aandeelhouder van de BV.
2.2.
Op 10 april 2012 is belanghebbende toegetreden tot het bestuur van de BV, net als zijn vader met de titel algemeen directeur. Sindsdien vormen belanghebbende en zijn vader samen het bestuur van de BV, beiden zelfstandig bevoegd. Vanaf 14 juni 2021 is die zelfstandige bevoegdheid gewijzigd naar gezamenlijk bevoegd.
2.3.
Vader heeft op 11 september 2012 [STAK] (hierna: de STAK) opgericht. In de statuten en de administratievoorwaarden van de STAK is, onder meer, bepaald dat de STAK (i) tegen uitgifte van niet-royeerbare/niet-inwisselbare certificaten op naam aandelen in het kapitaal van de BV zal verwerven (een certificaat per aandeel), (ii) niet bevoegd is de haar toebehorende aandelen te vervreemden of te verpanden anders dan met onmiddellijke uitkering van de opbrengst aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten, (iii) de op die aandelen te ontvangen uitkeringen zal innen en onmiddellijk zal doorgeven aan de certificaathouders (bij uitkering van aandelen worden overeenkomstige certificaten doorgegeven), (iv) de certificaathouders in de gelegenheid zal stellen een voorkeursrecht op hun certificaten uit te oefenen overeenkomstig een voorkeursrecht dat aan aandeelhouders wordt toegekend bij de uitgifte van nieuwe aandelen, en (v) liquidatie-uitkeringen op de aandelen binnen een week aan de certificaathouders zal afdragen tegen inlevering van de certificaten. Verder is de vervreemdingsbevoegdheid van de certificaten niet geringer dan die van de aandelen en kunnen de certificaten slechts tegen afgifte van de aandelen worden ingetrokken dan wel ingeleverd. Het bestuur van de STAK dient het stemrecht op de aandelen op zodanige wijze uit te oefenen, dat de bloei van de BV bevorderd wordt en dat tevens de belangen van de certificaathouders op behoorlijke wijze behartigd worden.
2.4.
Eveneens op 11 september 2012 heeft de STAK alle aandelen in de BV verworven tegen uitgifte van certificaten (hierna: de certificaten) aan vader.
2.5.
Vanaf de oprichting tot 1 augustus 2023 was vader de enige bestuurder van de STAK. Per die datum vormen vader, diens echtgenote [echtgenote] en belanghebbende het bestuur van de STAK. Vader heeft, als oprichter van de STAK, volgens de statuten evenveel zeggenschap in het bestuur als [echtgenote] en belanghebbende samen.
2.6.
Vader heeft op 26 januari 2017 alle certificaten van aandelen in de BV geschonken aan belanghebbende.
2.7.
Belanghebbende en de BV hebben op 20 februari 2017 aangifte overdrachtsbelasting gedaan voor de verkrijging van fictieve onroerende zaken in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR). In een begeleidende brief hebben zij een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR.
2.8.
Zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR toepassing mist, heeft de inspecteur met dagtekening 16 december 2022 de in deze procedure bestreden naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd, en wel tot een bedrag van € 3.572.785, vermeerderd met € 667.038 belastingrente. In bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, net als in eerste aanleg, in geschil of de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR (de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting) van toepassing is op de verkrijging van de certificaten van alle aandelen in de BV. Zo dat het geval is, zijn partijen het eens over de vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.786.392, zoals de rechtbank heeft beslist. Evenmin is in geschil dat de inspecteur de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag heeft vastgesteld indien de vrijstelling toepassing mist.

4.Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting wel van toepassing geacht op de verkrijging van de certificaten en heeft daartoe als volgt overwogen:

Beoordeling toepassing bedrijfsopvolgingsvrijstelling
17. De Hoge Raad heeft in de doorkijkarresten geoordeeld dat de fictie van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de WBR geen verdere strekking heeft dan te verhinderen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met die fictie niet is beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing zou blijven vanwege een vrijstelling ingevolge artikel 15 van Pro de WBR.
18. Verder overweegt de rechtbank dat met ingang van 1 januari 1995 de verkrijging van de economische eigendom ook onder het begrip verkrijging valt. In de parlementaire geschiedenis is daarbij, voor zover relevant, het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 1994-1995, 24172, nr. 3, blz. 26):
“Overigens merk ik op dat bij de gekozen methode om de economische-eigendomsverkrijging onder de heffing te brengen – de uitbreiding van het verkrijgingsbegrip – de huidige vrijstellingen en faciliteiten bij de juridische verkrijging ook gelden bij de economische. Zo zal bij overdracht van ondernemingen in de familiesfeer de vrijstelling van toepassing blijven.”
Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888, volgt dat de vrijstellingen van artikel 15 van Pro de WBR ook van toepassing zijn bij de verkrijging van economische eigendom.
19. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de BV een materiële onderneming drijft. Ook is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat als eiser bij schenking de aandelen in de BV had verkregen, de bedrijfsopvolgingsvrijstelling dan van toepassing was geweest omdat aan alle vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR zou zijn voldaan. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is op de verkrijging door eiser van de certificaten. De certificaten vertegenwoordigen immers de economische eigendom van de aandelen in de BV.
20. De stelling van verweerder dat niet de volledige zeggenschap is overgegaan, kan hem niet baten. Dat de volledige zeggenschap dient over te gaan is een door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:6787) geformuleerd vereiste, waarop – nadat tegen de hofuitspraak cassatieberoep was gesteld – door de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 niet is ingegaan. Dit vereiste volgt niet uit de wettekst van artikel 15 van Pro de WBR en evenmin uit de wetsgeschiedenis. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat (het bestaan van) een duidelijk (schriftelijk) overnameplan niet aannemelijk is gemaakt en geen sprake is van een overdracht in fasen. Uit de wettekst of wetsgeschiedenis volgt immers niet dat sprake moet zijn van een overdracht in fasen of dat een overnameplan vereist is.
21. De stelling van verweerder dat de STAK niet behoort tot de kring van verkrijgers en dat daarom niet is voldaan aan de vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR, kan de rechtbank niet volgen. Bij de schenking heeft de STAK niets verkregen; de aandelen in de BV bezat de STAK immers al. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiser de certificaten heeft verkregen en dat eiser behoort tot de kring van verkrijgers.
22. Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van verweerder dat niet eiser de onderneming heeft voortgezet, maar de BV als volgt. Verweerder erkent dat als de aandelen in de BV zelf waren verkregen, zou zijn voldaan aan het voortzettingsvereiste. Dit standpunt van verweerder leidt tot de conclusie dat hier is voldaan aan het voortzettingsvereiste, aangezien zowel bij de onderhavige verkrijging van de certificaten als bij de verkrijging van aandelen in de BV de onderneming wordt gedreven en voortgezet op het niveau van de BV. Overigens overweegt de rechtbank dat uit de doorkijkarresten volgt dat aan het voortzettingsvereiste is voldaan indien de onderneming wordt gedreven op het niveau van de vennootschap (zie Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110, r.o. 2.3.5).”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de omstandigheid dat belanghebbende certificaten van aandelen in de BV heeft verkregen, en niet de aandelen zelf en evenmin de aan die aandelen verbonden zeggenschap, een beletsel vormt voor een beroep op de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, vooral omdat een zeggenschapsvereiste niet blijkt uit artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet BRV, de wetsgeschiedenis of uit het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 (zie rov. 20, hiervoor geciteerd onder 4). Over dat oordeel klaagt de inspecteur in hoger beroep, in wezen omdat zijns inziens zonder overgang op de verkrijger van de volledige zeggenschap in de onderneming geen sprake kan zijn van voortzetting door de verkrijger en dus ook niet van een bedrijfsopvolging.
5.2.
Aan de zogeheten doorkijkarresten (HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559, HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110) ligt de gedachte ten grondslag dat het voor de toepassing van overdrachtsbelastingvrijstellingen niet van belang is of een ‘echte’ onroerende zaak wordt verkregen of een fictieve onroerende zaak, oftewel – voor zover hier van belang – aandelen in een onroerendezaaklichaam. De fictie van artikel 4 van Pro de Wet BRV heeft namelijk geen verdere strekking dan het ontgaan van de heffing van overdrachtsbelasting door het tussenschuiven van rechtspersonen te verhinderen (zie ook rov. 17 van de bestreden uitspraak).
5.3.
Partijen zijn het tegen die achtergrond erover eens dat de in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet BRV opgenomen bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing zou zijn geweest als belanghebbende de aandelen in de BV, een onroerendezaaklichaam in de zin van artikel 4 van Pro de Wet BRV, had verkregen van zijn vader. Nu belanghebbende echter niet de aandelen in de BV heeft verkregen, en daardoor evenmin de volledige zeggenschap heeft verkregen over de BV en, indirect, de onderneming in de BV, kan hij volgens de inspecteur niet voldoen aan de voorwaarde in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV dat de onderneming “in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet”.
5.4.
Voor het standpunt van de inspecteur kan pleiten dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling ook niet van toepassing zou zijn bij een verkrijging van goederen, althans onroerende zaken, die behoren tot en dienstbaar zijn aan een onderneming (eenmanszaak) zonder dat de verkrijger tot die onderneming gerechtigd wordt. Aan de voorwaarde van voortzetting van de onderneming door de verkrijger wordt dan niet voldaan. Zelfs wanneer de verkrijger economisch volledig tot (het vermogen en de winsten van de) onderneming gerechtigd zou worden, kan worden gemeend dat hij zonder zeggenschap over de onderneming niet de voortzettende ondernemer is. Het ligt onder die omstandigheden immers in de rede dat de verkrijger onder meer niet rechtstreeks zal worden verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming, zoals op grond van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 is vereist om ondernemer te zijn. Desondanks acht het Hof het standpunt van de inspecteur niet juist.
5.5.1.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt namelijk nergens uit de wet of uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling een voorwaarde van volledige zeggenschap over de onderneming na de verkrijging. In de arresten van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 en ECLI:NL:HR:2018:2200, kan evenmin worden gelezen dat de Hoge Raad oordelen van die strekking in de destijds bestreden uitspraken heeft overgenomen. Verder moet worden aangenomen dat het vereiste van rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming niet geldt in de context van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. Toen de voorloper van die vrijstelling in 1969 in de Registratiewet 1917 werd geïntroduceerd, werd een dergelijke eis namelijk nergens aan het ondernemerschap gesteld (vgl. artikel 6 van Pro de Wet IB 1964), terwijl elke indicatie ontbreekt dat de wetgever met artikel 3.4 van de Wet IB tevens heeft beoogd de reikwijdte van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling aan te passen. Ook degene die zonder zeggenschap medegerechtigd is tot een onderneming, kan daarom ondernemer zijn in de zin van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. In de rede ligt vervolgens dat op de verkrijging door een kind van een dergelijke medegerechtigdheid de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing moet kunnen zijn. Het Hof ziet geen aanwijzing dat de wetgever met het voortzettingsvereiste in die gevallen toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling heeft willen uitsluiten.
5.5.2.
In gevallen waarin het een verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam betreft, zoals in dezen, geldt bovendien dat de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dat certificaten van aandelen zijn te vereenzelvigen met de aandelen indien het economische belang bij de aandelen bij de certificaathouder berust (HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5558, r.o. 3.4.3). Dat specifieke oordeel betreft weliswaar de vrijstelling voor interne reorganisaties, maar de Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat vereenzelviging van certificaten met de aandelen in dergelijke omstandigheden ook is aanvaard in het kader van diverse andere fiscale regelingen. De strekking van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling noopt niet tot een afwijkende benadering. Het vereiste van voortzetting van de onderneming door de verkrijger brengt in dat geval mee dat de verkrijger van de certificaten het volledige economische belang bij, indirect, de onderneming moet behouden en dat die onderneming na de verkrijging niet deels of geheel mag worden gestaakt. Die uitleg sluit overigens ook aan bij het voortzettingsvereiste in de weliswaar posterieure bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (zie artikel 35e, lid 1, aanhef en onder c).
5.6.
De inspecteur heeft de (gedeeltelijke) toepasselijkheid van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling op de verkrijging van de certificaten van aandelen in de BV door belanghebbende, zoals de rechtbank in de bestreden uitspraak heeft aanvaard, niet bestreden op andere gronden dan het ontbreken van volledige zeggenschap bij belanghebbende. Reeds daarom faalt de in 5.1 bedoelde klacht.
5.7.
Tot slot heeft de inspecteur nog erover geklaagd dat de rechtbank in de bestreden uitspraak niet is ingegaan op een literatuuroverzicht in zijn verweerschrift in eerste aanleg. Die klacht faalt eveneens. Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe in te gaan op een door een partij opgesteld literatuuroverzicht, gelijk niet alle argumenten afzonderlijk hoeven te worden weerlegd die ter staving van een door de rechter niet aanvaard standpunt zijn aangevoerd, zolang de motivering maar voldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtegang (vgl. HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4444). Aan die laatste norm voldoet de bestreden uitspraak ruimschoots.
5.8.
De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is.

6.Kosten

Omdat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is, bestaat reden om hem te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en in hoger beroep. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Die kosten stelt het Hof met inachtneming van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten, waarde per punt € 934, wegingsfactor 1).

7.Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: