ECLI:NL:HR:2021:888
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij verdeling woning tussen ex-samenwoners en gezamenlijke economische verkrijging
Belanghebbende had samen met haar partner een affectieve relatie en legde in 2004 hun verhoudingen vast in een samenlevingsovereenkomst. In 2012 verkreeg de partner het erfpachtrecht van een woning. Na beëindiging van hun relatie werd de woning in 2017 aan belanghebbende geleverd, waarbij zij overdrachtsbelasting betaalde.
Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een gezamenlijke verkrijging in juridische zin, waardoor de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet van toepassing was. Het Hof stelde dat alleen de juridische eigendom relevant is en niet de economische eigendom.
De Hoge Raad corrigeerde dit oordeel en stelde dat sinds 1995 ook de economische eigendom onder het begrip gezamenlijke verkrijging valt. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug voor nader onderzoek of belanghebbende economisch voor 40 procent gerechtigd was tot de woning bij de verkrijging in 2012. Tevens moet het verwijzingshof beoordelen of een latere economische verkrijging aanleiding geeft tot vermindering van de overdrachtsbelasting bij de levering in 2017.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor nader onderzoek naar de gezamenlijke economische verkrijging en toepassing van de vrijstelling overdrachtsbelasting.