ECLI:NL:GHAMS:2025:3634

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
23-002625-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake diefstal en inreisverbod van een Marokkaanse verdachte

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, een Marokkaanse man, was eerder vrijgesproken van het ten laste gelegde inreisverbod, maar het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld. De verdachte werd beschuldigd van diefstal van kleding ter waarde van € 67,95 en van het verblijven in Nederland terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat er een inreisverbod tegen hem was uitgevaardigd. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 4 september 2023 in Amsterdam kleding heeft gestolen en dat hij op dat moment in strijd met het inreisverbod in Nederland verbleef. Het hof heeft de formele rechtskracht van het inreisverbod erkend en geoordeeld dat de verdachte op de hoogte was van dit verbod. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken, waarbij rekening is gehouden met zijn eerdere veroordelingen en de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte opnieuw veroordeeld.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002625-23
datum uitspraak: 17 december 2025
VERSTEK(raadsman niet gemachtigd)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-225266-23 tegen
[verdachte],
V-nummer: [nummer 1],
Strafrechtsketennummer: [nummer 2],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1998,
zich noemende: [naam 1], geboren op [geboortedag] 1998 te Casablanca (Marokko),
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
ONDERZOEK VAN DE ZAAK
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2025 en 10 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Bij voormeld vonnis is de verdachte veroordeeld ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde diefstal en vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde in Nederland verblijven in weerwil van een aan hem opgelegd inreisverbod. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.primairhij op of omstreeks 4 september 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, kledingstukken (ter waarde van: € 67,95), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

1.subsidiairhij op of omstreeks 4 september 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [bedrijf], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen: - de alarmlabels van kledingstukken, in elk geval van een kledingstuk, heeft verwijderd en/of - kledingstukken, in elk geval een kledingstuk, in een tas heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op of omstreeks 4 september 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
OVERWEGING MET BETREKKING TOT DE IDENTITEIT VAN DE VERDACHTE
De verdachte, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, verblijft in ieder geval sinds 2020 in Nederland. Hij heeft zich hier bekend gemaakt als [naam 1], geboren op [geboortedag] 1998 te Casablanca (Marokko), meest recent nog tijdens zijn politieverhoor van 5 september 2023. Uit informatie van Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 28 oktober 2025 komt naar voren dat de Marokkaanse vertegenwoordiging op 23 januari 2023 [het hof vermoedt: 2024] een Laissez-Passer (LP) voor de verdachte heeft afgegeven. De LP is afgegeven op naam van [verdachte], geboren op [geboortedag] 19988 [het hof begrijpt: 1998] te [geboorteplaats] (Marokko). Op 9 februari 2024 is de verdachte vervolgens, naar het hof begrijpt op basis van die LP, uit Nederland verwijderd naar Marokko. Uit het voorgaande leidt het hof af dat werkelijke identiteit van de persoon die zich in Nederland bekend heeft gemaakt onder de naam [naam 1], [verdachte] is. Om die reden zal dit arrest op die laatste naam worden gesteld.
VONNIS WAARVAN BEROEP
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
BEWIJSOVERWEGING TEN AANZIEN VAN HET ONDER 1 PRIMAIR TENLASTEGELEGDE
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde kledingstukken heeft gepakt, in een pasruimte de labels heeft verwijderd en de kleding in een [bedrijf 2]-tas heeft gedaan. De beveiliger van de winkel voerde op dat moment zijn gebruikelijke ronde door de winkel uit en passeerde de paskamers. Tijdens deze ronde merkte hij op dat de verdachte bezig was kledingstukken in zijn tas te stoppen. Vervolgens liet de verdachte de tas met kleding in de pasruimte achter, verliet de paskamer en ging de roltrap af. De kleding is vervolgens in de [bedrijf 2]-tas aangetroffen; de alarmlabels waren verwijderd en er zat bloed op de kleding. De verdachte heeft zich door dit handelen als heer en meester over de kleding gedragen, en heeft zich de kleding wederrechtelijk toegeëigend. Dat hij de kleding uiteindelijk in de tas in de pasruimte heeft achtergelaten, doet daar – onder deze omstandigheden – niet aan af.
Het hof acht – met de advocaat-generaal – het onder 1 primair tenlastegelegde – de diefstal in voltooide vorm – dan ook wettig en overtuigend bewezen.
BEWIJSOVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN HET ONDER 2 TENLASTEGELEGDE
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat – nu het tegen de beschikking van 21 mei 2021 ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard – de ruimte voor toetsing van het opgelegde inreisverbod in de onderhavige zaak beperkt is. Voorts heeft zij daartoe aangevoerd dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, nu hij op 1 april 2021 door de politie is gehoord over het voornemen tot opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod, hij op 27 mei 2021 voor ontvangst van de beschikking heeft getekend en hem daarbij een informatief document over het inreisverbod in de Arabische taal is overhandigd.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Aanleiding en actualisering juridisch kader
In 2022 heeft dit hof naar aanleiding van themazittingen in verschillende arresten met betrekking tot het in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar gestelde in Nederland verblijven in weerwil van een inreisverbod een juridisch kader opgenomen (o.a. Hof Amsterdam 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3199). Het hof ziet aanleiding in het voorliggende arrest andermaal een juridisch kader op te nemen, dat van toepassing is in 197-zaken tegen derdelanders en is aangepast naar de rechtsontwikkeling sinds 2022, en wel als volgt.
Nationaal wettelijk kader: artikel 197 Sr, Vw 2000 en Vb 2000
Artikel 197 Sr luidt: “Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
In artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel kan de Minister als bedoeld in artikel 1 Vw 2000 (sinds 1 juli 2025: de Minister van Asiel en Migratie) in afwijking van het eerste lid bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 vaardigt de Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is (en op wie artikel 64 van die wet niet van toepassing is) en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, Vw 2000.
Op grond van artikel 66a, vierde lid, Vw 2000 wordt een inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b en c, van dat artikel kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben in geval hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid.
Volgens artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan ingevolge die bepaling blijken uit onder meer (a) een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict, of (b) een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd.
Europees kader: de Terugkeerrichtlijn
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn) beoogt om op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. Te dien einde stelt de richtlijn „gemeenschappelijke normen en procedures” vast die de lidstaten van de EU moeten toepassen bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen (vgl. punten 31 en 32 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 28 april 2011, C‑61/11 PPU, ECLI:EU:C:2011:268).
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vaardigen lidstaten van de EU een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Artikel 7, eerste lid, van die richtlijn schrijft voor dat in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek wordt vastgesteld. Op grond van het vierde lid van dat artikel kan van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek worden afgezien, onder andere indien de derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gaat het terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet is voldaan aan de terugkeerverplichting [het hof begrijpt: naar het land van herkomst of een ander in aanmerking komend land]. De duur van dat verbod kan gezien het tweede lid van dat artikel meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Jurisprudentie invulling van het Unierechtelijke openbare-ordebegrip
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft in het arrest van 11 juni 2015 (C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377) uitleg gegeven aan het begrip “gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het voetspoor van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat die uitleg mede richtinggevend moet worden geacht voor de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging voor de openbare orde” in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit een en ander volgt kortweg dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:239).
In een uitspraak van 19 juli 2018 heeft de ABRvS geoordeeld dat bij de uitvaardiging van een inreisverbod – ongeacht de duur daarvan – het Unierecht wordt toegepast, waarbij alle in artikel 6.5a, derde of vierde lid, Vb 2000 en artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde (ECLI:NL:RVS:2018:2472).
Overigens heeft de ABRvS in haar uitspraak van 18 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4687) benadrukt dat de Minister, ook wanneer een ernstige bedreiging van de openbare orde kan worden aangenomen, deugdelijk en aan de hand van de in artikel 6.5a Vb 2000 genoemde gronden heeft te motiveren waarom hij een inreisverbod van maximaal 10 jaren (een zogenoemd zwaar inreisverbod) uitvaardigt, in plaats van een licht inreisverbod met een maximumduur van vijf jaren (een zogenoemd licht inreisverbod).
Beoordeling inreisverbod als tenlastegelegd bestanddeel
Met artikel 66a Vw 2000 en artikel 6.5a Vb 2000 is beoogd Unierecht, meer bepaald artikel 11, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, in Nederlands recht om te zetten (Kamerstukken II 2009/10, 32420, nr. 3, p. 17-19). Daarnaast strekt de in artikel 197 Sr neergelegde strafbaarstelling van verblijf in weerwil van een inreisverbod tot waarborging van het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn (Kamerstukken I 2011/12, 32420, nr. D. p. 7).
In het licht van het voorgaande kan van het in een op artikel 197 Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000” niet worden gesproken indien dat inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het recht van de Europese Unie, die van de Terugkeerrichtlijn in het bijzonder. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 197 Sr dient de rechter dus te onderzoeken of het inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen.
Meer specifiek brengt dit mee dat de strafrechter in geval een inreisverbod met een duur van meer dan vijf jaar is uitgevaardigd, dient te onderzoeken of ten tijde van die uitvaardiging met betrekking tot de verdachte sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het openbare-ordecriterium).
Formele rechtskracht, uitzonderingen en taakverdeling tussen strafrechter en bestuursrechter
Ten aanzien van de taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter bij het oordeel of ten tijde van de uitvaardiging van een inreisverbod sprake was van een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging, geldt het volgende.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1621) het volgende overwogen:
“2.5.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan een besluit van een bestuursorgaan waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, in het strafrecht formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op de rechtszekerheid, het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617). Deze taakverdeling houdt onder meer verband met de onwenselijkheid dat de strafrechter anders gedwongen zou zijn om in een daarop niet toegesneden procedure, waarin het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de bestuursrechter is toegerust en geroepen (…).
Dit uitgangspunt van de formele rechtskracht brengt mee dat de strafrechter in beginsel ervan moet uitgaan dat een besluit van een bestuursorgaan wat betreft de wijze van totstandkoming en zijn inhoud in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Is het besluit bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617).
2.5.2. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan op deze formele rechtskracht van besluiten een uitzondering te maken in die zin dat een gedraging in weerwil van een besluit van een bestuursorgaan niet tot strafbaarheid leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval als zich de uitzonderlijke situatie voordoet dat (i) fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling (vgl. HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:527) of (ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit (…).”
Eerder had de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:527) al het volgende overwogen:
“3.2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof is uitgegaan van een onjuist toetsingskader.
3.2.2. (…) Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
(…)
3.3.
Het middel klaagt (…) dat het oordeel van het Hof dat het inreisverbod evident in strijd is met het bepaalde in (…) de Terugkeerrichtlijn (…) ontoereikend is gemotiveerd.
3.4.
In zijn arrest van 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387, heeft de Hoge Raad overwogen dat in een geval als het onderhavige waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het inreisverbod heeft gevolgd, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken het volgende geldt. Is het inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan dient de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uit te gaan. Is het inreisverbod door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks in beginsel eraan in de weg dat de strafrechter het verweer dat het inreisverbod in strijd is met het Unierecht, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken.
3.5.
Van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld kan sprake zijn wanneer de strafrechter vaststelt dat de oplegging van het inreisverbod evident in strijd is met het onder 3.2 bedoelde toetsingskader.
3.6.
Blijkens de hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof - ondanks hetgeen onder 3.1 is vermeld over de bestuursrechtelijke rechtsgang - het ervoor gehouden dat ten tijde van zijn uitspraak het besluit tot uitvaardiging van het inreisverbod tegen de verdachte nog niet rechtens onaantastbaar was. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet begrijpelijk is het daarin besloten liggende oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
3.7.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.8.
Opmerking verdient dat ook wanneer de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang of wanneer een onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter in die rechtsgang niet kan worden afgewacht, in de strafzaak het in 3.2 bedoelde toetsingskader slechts aan het aannemen van de rechtmatigheid van het inreisverbod in weg staat als de strafrechter vaststelt dat in het voorliggende geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.”
Nu tegen een beschikking waarbij een inreisverbod wordt uitgevaardigd een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, dient de strafrechter, zo leidt het hof uit het arrest van 12 november 2024 af, in zaken als de onderhavige uit te gaan van de rechtmatigheid van een inreisverbod, ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van deze bestuurlijke rechtsgang,
tenzijhet inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter is vernietigd – dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan – of sprake is van één van de uitzonderlijke situaties als door de Hoge Raad in dat arrest genoemd, te weten:
(i) in de situatie dat fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling,
of
(ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit.
Mede in het licht van het arrest van 28 maart 2017 kan – ook weer ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang – van zo’n uitzonderlijke situatie worden gesproken, als de strafrechter tot het oordeel komt dat in het voorliggende geval met betrekking tot de verdachte ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod
evidentgeen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
Uit het arrest van 28 maart 2017 spreekt voorts dat voor dat oordeel niet toereikend is dat de
motiveringvan de beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod op dit punt tekortschiet. De beslissing tot uitvaardiging van het verbod moet
materieeltekortschieten, in die zin dat deze inhoudelijk bezien niet had mogen worden genomen, en dát moet evident zijn.
Stukken voor beoordeling inreisverbod
Om de strafrechter in staat te stellen de noodzakelijke feitelijke vaststellingen te doen met betrekking tot de vraag of ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod materieel sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, is het wenselijk dat het Openbaar Ministerie – naast een uittreksel uit de Justitiële Documentatie – reclasseringsrapporten of andere relevante informatiebronnen overlegt die inzicht bieden in het functioneren van de betreffende verdachte op de verschillende leefgebieden op dat moment.
In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie dergelijke informatie verstrekt.
Beoordeling tenlastegelegde in de voorliggende zaak
De verdachte heeft de Marokkaanse nationaliteit. Bij beschikking van 21 mei 2021 is jegens hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. De beschikking is hem op 27 mei 2021 in persoon uitgereikt. Namens de verdachte is op 4 juni 2021 tegen die beschikking beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Dat beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is op 6 oktober 2021 bekendgemaakt. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, waarmee de beslissing in beroep in kracht van gewijsde is gegaan.
Het hof ziet geen grond voor het oordeel dat de oplegging van het inreisverbod evident in strijd is met rechtsreeks werkende bepalingen van het Unierecht. Het zal dan ook uitgaan van de rechtmatigheid van de – door de bestuursrechter in stand gelaten – beschikking waarbij het inreisverbod is opgelegd.
De verdachte verbleef op 4 september 2023 in Amsterdam in weerwil van het inreisverbod, dat op dat moment niet was ingetrokken of vervallen. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte Nederland in de periode tussen 21 mei 2021 en 4 september 2023 op enig moment heeft verlaten.
Het hof ziet zich, mede naar aanleiding van een in eerste aanleg gevoerd verweer, gesteld voor de vraag of de verdachte op 4 september 2023 wist of ernstige reden had te vermoeden dat hem een inreisverbod was opgelegd. Het hof overweegt in dat kader het volgende.
De verdachte is op 1 april 2021 door de politie gehoord over (het voornemen tot) het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Daarbij heeft de verdachte te kennen gegeven het niet eens te zijn met het voornemen hem een inreisverbod op te leggen, en niet te willen meewerken aan een vertrek naar Marokko. Vervolgens is, als gezegd, de op 21 mei 2021 geslagen beschikking houdende het inreisverbod op 27 mei 2021 in persoon aan hem uitgereikt. Het uitreikingsblad behorende bij die beschikking is voorzien van een handtekening ter ontvangst. Bij zijn politieverhoor op 5 september 2023 is de verdachte gevraagd zijn handtekening op een papier te zetten, om te laten zien hoe zijn handtekening eruit ziet. Daarbij is – zo volgt uit het proces-verbaal van dat verhoor – door de daarbij betrokken verbalisant [naam 2] waargenomen dat de door de verdachte gezette handtekening overeenkomt met de handtekening op het hiervoor genoemde uitreikingsblad. De verdachte is met die bevinding geconfronteerd en niet blijkt van een betwisting daarvan (“Oke”). Voorts volgt uit het dossier dat op 4 juni 2021 namens de verdachte beroep is ingesteld tegen de beschikking, en dat tussen de verdachte en de door hem in de bestuursrechtelijke procedure gemachtigde raadsvrouw voor het laatst contact is geweest in de periode tussen eind mei 2021 en begin juni 2021. Zij heeft in de bestuursrechtelijke procedure aangegeven dat zij in opdracht van de verdachte beroep heeft ingesteld tegen (onder meer) dit bestreden besluit. Het hof leidt hieruit af dat tussen de verdachte en de door hem in de bestuursrechtelijke procedure gemachtigde raadsvrouw contact is geweest over (de oplegging van) het inreisverbod, en dat de verdachte daartegen beroep wilde instellen. Vervolgens heeft de verdachte Nederland daadwerkelijk verlaten met een onbekende bestemming. Gelet op de informatie in het dossier moet dat zijn gebeurd tussen 6 juni 2021 (einde strafrechtelijke detentie) en 26 juli 2021 (brief van raadsvrouw in bestuursrechtelijke procedure, waarin zij vermeldt van het COA te hebben vernomen dat de verdachte met onbekende bestemming is vertrokken).
Onder de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat hem een inreisverbod was opgelegd. Overigens ziet het hof zich op dit punt gesterkt in zijn oordeel door het gegeven dat de (aan de verdachte uitgereikte) beschikking is vergezeld van een document in de Arabische taal, waarvan ter terechtzitting in hoger beroep – door gedeeltelijke vertaling van dat document door een tolk – is gebleken dat dat een informatief document over de aard en de consequenties van het inreisverbod betreft.
BEWEZENVERKLARING
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 4 september 2023 te Amsterdam kledingstukken ter waarde van € 67,95 die aan de [bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om dezezich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op 4 september 2023 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.
STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
OPLEGGING VAN STRAF
De politierechter heeft de verdachte voor de in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en voor het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen weken, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in Nederland verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hem een inreisverbod was opgelegd. Hij heeft er aldus blijk van gegeven zich niets aan te trekken van een door het bevoegd gezag genomen besluit. Bovendien druist zijn handelen in tegen het belang dat de samenleving heeft bij het respecteren en naleven van dit besluit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dat is een ergerlijk feit dat hinder en schade oplevert voor winkeleigenaren en hun medewerkers.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2025 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Het hof betrekt dat in voor de verdachte negatieve zin bij het bepalen van de op te leggen straf.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van negen weken in beginsel passend en geboden is. Het strafblad van de verdachte maakt dat er met geen andere of lichtere straf kan worden volstaan.
Wel is in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), overschreden. Immers, op 28 september 2023 is hoger beroep ingesteld, terwijl het hof uitspraak doet op 17 december 2025. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar met bijna drie maanden overschreden. Daarom zal het hof zal de passend geachte gevangenisstraf van negen weken met een week bekorten, zodat een gevangenisstraf van acht weken zal worden opgelegd.
Zoals al bleek, heeft de verdachte Nederland op enige datum vanaf 6 juni 2021 verlaten. Tegenover de rechter-commissaris heeft hij op 8 september 2023 bevestigd dat hij inderdaad in het buitenland heeft verbleven en dat hij sinds twee weken weer in Nederland is. In gevallen waarin de verdachte daadwerkelijk uit Nederland is vertrokken (en aan zijn terugkeerverplichting heeft voldaan), maar nadien Nederland weer is binnengekomen, is de rechter niet verplicht om zich bij oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf ervan te vergewissen dat de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen (HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3091).
Het hof merkt tot slot nog op dat genoemde strafoplegging niet aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn in de weg staat, omdat de verdachte 9 februari 2024 is uitgezet naar Marokko (vgl. HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2448).
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. E.J Hofstee en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2025.
BEWIJSMIDDELEN
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde
1.
Een proces-verbaal van aangifte met nummer [nummer 3] van 4 september 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van [aangever]:
Ik doe aangifte van diefstal namens [bedrijf], gevestigd op de Nieuwendijk te Amsterdam. Ik heb de diefstal zelf gezien. Op maandag 4 september 2023 was ik, [aangever], werkzaam als beveiliger bij de [bedrijf]-winkel. Rond 17:38 uur voerde ik mijn gebruikelijke ronde door de winkel uit en passeerde de paskamers. Tijdens deze ronde merkte ik op dat een persoon bezig was kledingstukken in zijn tas te stoppen. Ik bevond me buiten de paskamer op dat moment. De verdachte verliet de paskamer en liet een blauwe [bedrijf 2]-tas achter. Terwijl ik de kledingstukken nader bekeek, ontdekte ik bloed en zag ik dat hij de beveiligingslabel van de kledingstukken verwijderd had (het hof begrijpt: zag ik dat de beveiligingslabels van de kledingstukken verwijderd waren). Ik heb de verdachte aangehouden.
De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen:
- 2x La basket tricot white;
- 1x wit shirt;
- 1x grunge beige set;
- 1x Reckless skull white.
De totale verkoopwaarde van de weggenomen goederen is € 67,95.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer [nummer 4] van 4 september 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 8-9.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op maandag 4 september 2023, bevond ik, verbalisant [verbalisant], mij in uniform gekleed en met noodhulpdienst belast, op het basisteam Jordaan te Amsterdam. Aldaar kreeg ik de melding van het Operationeel Centrum om te gaan naar de [adres] te Amsterdam.
Ter plaatse bleek er een persoon aangehouden te zijn door de beveiliger van de winkel [bedrijf] op verdenking van winkeldiefstal. De verdachte bleek te zijn:
*** [naam 1], geboren op [geboortedag]-1998 te Cassablanca, Marokko ***
De beveiliger van de winkel heeft twee tassen aangetroffen bij de verdachte. Ik zag dat in de blauwe [bedrijf 2]-tas van de verdachte verschillende kledingstukken zaten die afkomstig waren uit de winkel van de [bedrijf].
3.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 september 2023.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik wilde de kleding stelen. In de pasruimte heb ik de labels van de kleding afgehaald. Ik heb de labels en de kleding in die pasruimte achtergelaten. De kleding zat in een [bedrijf 2]-tas. De beveiliger heeft mij aangesproken.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
1.
Een geschrift, dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 mei 2021.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Betreft: [naam 1], geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit.
Besluit
U heeft op 21 juni 2020 een asielaanvraag ingediend. Bij beschikking van 23 februari 2021 is uw asielaanvraag afgewezen, is u een terugkeerbesluit opgelegd en is u een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren. Ik hef het op 23 februari 2021 opgelegde inreisverbod op en vervang dit door een inreisverbod voor de duur van 10 jaren. Het is een zwaar inreisverbod.
Waarom dit besluit?
De politie eenheid Limburg heeft u op 1 april 2021 gehoord over het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. U hebt in uw gehoor op 1 april 2021 meermalen aangegeven niet mee te willen werken aan een vertrek naar Marokko. U bent het
niet eens met het voornemen u een inreisverbod op te leggen.
Wat betekent dit besluit voor u?U heeft geen verblijfsrecht meer. U mag niet meer in Nederland zijn. U moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland meteen verlaten. Door het inreisverbod bent u strafbaar als u in Nederland bent.
2.
Een geschrift, dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een Uitreikingsblad met zaaknummer [zaaknummer], behorende bij de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 mei 2021.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Betreft: [naam 1], geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit.
Deze beschikking is uitgereikt op 27 mei 2021 door M. Dujmovic te Roermond.
Voor ontvangst: [handtekening].
3.
Een ambtsedig proces-verbaal van aanhouding met nummer [nummer 5] van 4 september 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 12-13.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op 4 september 2023 werd door mij te Amsterdam van een burger overgenomen, te weten de door deze op maandag 4 september 2023 op heterdaad aangehouden verdachte: [naam 1], geboren op [geboortedag] 1988.
4.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 september 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2], doorgenummerde pagina’s 14-18.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
V: = vraag verbalisant
A: = antwoord verdachte
O: = opmerking verbalisant
V: Hoe ziet jouw handtekening eruit? Zou je die eens voor willen doen hier op papier?
O: Handtekening komt overeen met de handreiking op het eerder uitgereikte blad
behorende bij zaaknummer [zaaknummer].
V: De handtekening die jij nu op het kladje hebt gezet, komt overeen met de handtekening op het uitreikingsblad dat je eerder hebt ondertekend (2021).
A: Oke.
5.
Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van mondelinge uitspraak in de zaken met zaaknummers NL.21.2969 en NL.21.8619 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 oktober 2021.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1], geboren [geboortedag] 1998 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde): mr. N.M. Weteling), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2021 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bij het bestreden besluit I opgelegde inreisverbod opgeheven en vervangen door een inreisverbod voor de duur van tien jaar op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000. Eiser heeft ook tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (NL21.8619).
Overwegingen
Naar aanleiding van vragen van de rechtbank op 20 juli 2021 heeft de gemachtigde van
eiser op 26 juli 2021 te kennen gegeven dat zij ook van het COa heeft vernomen dat eiser
met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. Zij heeft zelf recentelijk geen contact
gehad met eiser. Het laatste contact dateert van eind mei/begin juni [het hof begrijpt: 2021]. Daarnaast stelt eisers gemachtigde desgevraagd dat eiser nog wel procesbelang heeft, nu zij in opdracht van eiser beroep heeft ingesteld tegen de bestreden besluiten.
NADERE BEWIJSOVERWEGING
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.