Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
3.Juridisch Kader
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Beslissing
14 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens het overtreden van een inreisverbod dat was opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en waarvan de duur was vastgesteld op tien jaar vanwege vermeende ernstige bedreiging van de openbare orde. Het hof Amsterdam sprak de verdachte vrij omdat het oordeel dat het inreisverbod evident in strijd was met de Terugkeerrichtlijn onvoldoende gemotiveerd was.
De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof en bevestigde dat het hof terecht het toetsingskader van het HvJ EU had toegepast, waarbij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vereist is voor een inreisverbod van meer dan vijf jaar. Echter oordeelde de Hoge Raad dat de motivering van het hof ontoereikend was omdat het niet begrijpelijk was waarom het hof concludeerde dat geen sprake was van een dergelijke bedreiging.
De Hoge Raad benadrukte ook de taakverdeling tussen straf- en bestuursrechter, waarbij de strafrechter in principe niet zelfstandig toetst als de bestuursrechter het inreisverbod onherroepelijk heeft bevestigd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.