Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 november 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG) een belemmering vormt voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een vreemdeling die na uitzetting en ongewenstverklaring opnieuw illegaal Nederland is binnengekomen.
De verdachte was in 2007 ongewenst verklaard en uitgezet naar Marokko. In 2012 werd hij opnieuw in Nederland aangehouden terwijl hij wist dat zijn ongewenstverklaring niet was opgeheven. Het hof veroordeelde hem tot twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens verblijf als vreemdeling zonder recht.
De verdediging voerde aan dat de straf niet opgelegd mocht worden zonder dat voorafgaand aan de tweede binnenkomst alle stappen van de terugkeerrichtlijn opnieuw waren doorlopen. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit niet vereist is indien al was vastgesteld dat aan de terugkeerverplichting was voldaan door de eerdere uitzetting. De strafrechtelijke sanctie is passend omdat de verdachte het vreemdelingenbeleid heeft doorkruist en de openbare orde heeft geschonden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging in een dergelijk geval. De uitspraak benadrukt dat de rechter niet hoeft te toetsen of de terugkeerrichtlijn opnieuw volledig is toegepast bij een hernieuwde illegale terugkeer na eerdere uitzetting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden wegens illegaal verblijf na eerdere uitzetting en ongewenstverklaring.