Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld wegens illegaal verblijf in Nederland terwijl hij tot ongewenste vreemdeling was verklaard. Het hof legde hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op. De verdachte stelde in cassatie dat dit in strijd was met de EU Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, die een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende vreemdelingen beoogt.
De Hoge Raad overwoog dat de Terugkeerrichtlijn alleen van toepassing is op vreemdelingen die ten tijde van de berechting illegaal in Nederland verblijven. Omdat de verdachte op het moment van de berechting al was uitgezet naar Marokko, was de richtlijn niet van toepassing. Hierdoor stond de richtlijn niet in de weg aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de Terugkeerrichtlijn en bevestigt dat na uitzetting de richtlijn geen belemmering vormt voor strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Terugkeerrichtlijn niet aan de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staat nadat de verdachte is uitgezet.