ECLI:NL:RVS:2018:2472

Raad van State

Datum uitspraak
19 juli 2018
Publicatiedatum
20 juli 2018
Zaaknummer
201705616/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • H.G. Lubberdink
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 66a Vw 2000Art. 6.5a Vb 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering openbare orde bedreiging

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 9 december 2016 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep op 14 juni 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de openbare orde niet in het geding was, terwijl hij was veroordeeld voor een strafbaar feit. De Afdeling overwoog dat het uitvaardigen van een inreisverbod onder artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 altijd verband houdt met de openbare orde en dat de staatssecretaris een motivering moet geven waarom het gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris deze beoordeling niet had verricht en dat de rechtbank dit ook niet had onderkend. Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het inreisverbod van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de bedreiging voor de openbare orde.

Uitspraak

201705616/1/V2.
Datum uitspraak: 19 juli 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 juni 2017 in zaak nr. 17/522 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 14 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in de tweede en derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de staatssecretaris het inreisverbod heeft uitgevaardigd onder verwijzing naar artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), de openbare orde niet in geding is en de staatssecretaris daarom niet verplicht is te onderzoeken of hij een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Volgens de vreemdeling is de openbare orde wel in het geding nu hij is veroordeeld voor een strafbaar feit.
1.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, past de staatssecretaris met de uitvaardiging van een inreisverbod - ongeacht de duur daarvan - het Unierecht toe, waarbij alle in artikel 6.5a, derde of vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde (uitspraken van 8 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3012 en 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725).
1.2.    De Afdeling heeft voorts overwogen dat in het geval waarin de staatssecretaris de vreemdeling geen vertrektermijn onthoudt en dus niet verplicht is een inreisverbod uit te vaardigen, maar hij dat, gelet op artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000, wel doet, hij ook dan moet motiveren waarom het gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2152).
1.3.    Evenals in voormelde uitspraak van 27 juni 2018, heeft de staatssecretaris de vreemdeling geen vertrektermijn onthouden en heeft hij tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd onder verwijzing naar artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 juncto artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. De vreemdeling betoogt, gelet op voormelde uitspraken, aldus terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris een beoordeling als beschreven onder 1. ten onrechte niet heeft verricht.
De grieven slagen.
2.    Hetgeen de vreemdeling voor het overige in het hogerberoepschrift aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 9 december 2016 vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 juni 2017 in zaak nr. 17/522;
III.    vernietigt het besluit van 9 december 2016, kenmerk [...];
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Graat
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2018
307-806.