Betrokkene reisde met haar studentenreisproduct terwijl zij vanaf september 2021 niet meer stond ingeschreven als student. De minister stelde daarom een ov-schuld vast van €548,03. De rechtbank had deze schuld tenietgedaan vanwege onduidelijke berichtgeving over de coronamaatregelen.
De Raad oordeelt anders en stelt dat betrokkene had moeten weten dat zij geen recht meer had op het reisproduct omdat zij niet meer studeerde. De coronamaatregelen verlengden het reisrecht alleen voor ingeschreven studenten, wat ook uit de ministeriële besluiten blijkt.
De Raad wijst erop dat betrokkene haar studiefinanciering en reisproduct tijdig had moeten stopzetten en dat het niet tijdig stoppen haar kan worden toegerekend. De ov-schuld blijft daarom in stand. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid en de hardheidsclausule faalt, omdat de wet en rechtspraak dit niet rechtvaardigen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.