AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijzondere bijstand en bevestiging jongerennorm bijstand voor jongmeerderjarige
Appellant, een jongmeerderjarige onder bewind, diende meerdere aanvragen in voor bijzondere bijstand voor onder meer eigen bijdragen Wmo, levensonderhoud en rechtsbijstand. Het college wees deze af op grond van voorliggende voorzieningen en draagkracht. Appellant kreeg algemene bijstand naar de jongerennorm toegekend. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stelde appellant dat de afwijzingen onterecht waren en dat de jongerennorm onvoldoende was, mede vanwege de onderhoudsplicht van ouders die niet kon worden nagekomen. De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang had voor de arbeidsverplichtingen uit artikel 9 PWPro, en dat de afwijzingen van bijzondere bijstand terecht waren. De Raad bevestigde dat de studiefinanciering als voorliggende voorziening geldt en dat het college terecht de draagkracht berekende volgens beleidsregels, inclusief de jongerennorm.
Verder stelde appellant dat hij geen bewijs hoefde te leveren voor zijn hogere kosten, maar de Raad benadrukte dat de bewijslast bij de aanvrager ligt. Omdat appellant geen onderbouwing leverde, kon hij geen recht op aanvullende bijstand aantonen. Het verzoek om een aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat reeds een vergoeding was toegekend. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor het deel over arbeidsverplichtingen en voor het overige afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand en toekenning van bijstand naar de jongerennorm wordt bevestigd.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2256 PW, 23/2257 PW en 23/2258 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2023, 20/4032, 20/8149 en 20/8152 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
SAMENVATTING
In zaak 23/2256 PW gaat het om de afwijzing van drie aanvragen om bijzondere bijstand. Volgens het college staat de bepaling over de voorliggende voorziening dan wel de draagkracht van appellant in de weg aan bijstandsverlening. In zaak 23/2257 PW gaat het allereerst om de vraag of appellant in hoger beroep wel een procesbelang heeft voor zover het gaat om de aan hem opgelegde verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is. Daarnaast gaat het in die zaak om de toekenning van bijstand naar de jongerennorm. In zaak 23/2258 PW gaat het om de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van het destijds geldende artikel 12 vanPro de PW. Volgens het college heeft appellant niet onderbouwd dat zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de jongerennorm. Appellant is het er niet mee eens dat zijn aanvragen om bijzondere bijstand zijn afgewezen en dat hem bijstand naar de jongerennorm is toegekend, maar hij krijgt geen gelijk. Het verzoek van appellant om een aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel en de bewindvoerder van appellant, [X]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. de Jong en mr. N.T. Bui.
Appellant heeft verzocht om een aanvullende schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, gelet op de procedure in hoger beroep.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant is bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder bewind gesteld. Zijn moeder is zijn bewindvoerder. Appellant woonde ten tijde hier van belang bij zijn moeder, studeerde wiskunde en ontving van de Dienst Uitvoering Onderwijs maandelijks een bedrag van € 396,39 aan studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Daarnaast had appellant nog enige inkomsten uit een folderwijk.
1.3.
Op 23 en 28 oktober 2019 heeft appellant bij het college aanvragen om bijzondere bijstand op grond van de PW ingediend voor de kosten van de eigen bijdrage op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), voor de kosten van levensonderhoud en voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand.
1.4.
Met een besluit van 27 december 2019, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 30 april 2020 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand afgewezen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college wat betreft de kosten van de eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015 en de kosten van levensonderhoud (onder meer) ten grondslag gelegd dat artikel 15, eerste lid, van de PW aan bijstandsverlening in de weg staat. Wat betreft de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand heeft het college aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellant met het inkomen uit studiefinanciering waarover hij redelijkerwijs geacht kan worden te beschikken voldoende draagkracht heeft om in deze kosten te voorzien. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 35, eerste lid, van de Nadere regels sociaal domein Alphen aan den Rijn (beleidsregels).
1.5.
Appellant is op 30 april 2020 gestopt met zijn studie. Op 11 mei 2020 heeft hij bij het college algemene bijstand op grond van de PW aangevraagd. Ook heeft hij op 11 mei 2020 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026 (artikel 12 (oud)) van de PW ingediend.
1.6.
Met een besluit van 29 juni 2020 heeft het college aan appellant met ingang van 1 juni 2020 algemene bijstand toegekend naar de jongerennorm op grond van artikel 20 vanPro de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026. Daarbij heeft het college gewezen op de voor appellant geldende verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2026, en het in dat kader vastgestelde plan van aanpak. Met een besluit van 26 november 2020 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2020 gegrond verklaard, de ingangsdatum van de bijstand vastgesteld op 29 april 2020 en appellant een vergoeding toegekend voor de gemaakte kosten in bezwaar. Over de arbeidsverplichtingen is vermeld dat uit het plan van aanpak volgt dat er op het gebied van scholing van appellant geen actie werd verwacht, hij moet meewerken aan een re-integratietraject en begeleiding van Serviceplein moet accepteren, maar dat in het plan van aanpak concreet dient te worden omschreven welke nadere afspraken zijn gemaakt.
1.7.
Met een besluit van 30 juli 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 26 november 2020 (bestreden besluit 3), heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten op grond van artikel 12 (oud) van de PW afgewezen. Aan bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen objectieve en verifieerbare stukken heeft overgelegd die de in zijn overzicht van 29 oktober 2020 genoemde kosten onderbouwen. Appellant heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij noodzakelijke kosten van het bestaan heeft die uitgaan boven de bijstandsnorm van een jongmeerderjarige.
1.8.
Appellant is samen met zijn moeder op 13 maart 2021 verhuisd naar een woning in de gemeente [naam gemeente]. Het college van die gemeente heeft hem vanaf 13 maart 2021 algemene bijstand verstrekt op grond van de PW naar de jongerennorm. Nadien is aan appellant met terugwerkende kracht met ingang van 1 september 2021 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten toegekend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot vergoeding aan appellant van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In de procedure over bestreden besluit 1 heeft de rechtbank de schadevergoeding bepaald op € 1.500,- en in de procedures over bestreden besluiten 2 en 3, die als samenhangende procedures zijn beschouwd, heeft de rechtbank de schadevergoeding bepaald op € 1.000,-.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank voor zover zijn beroepen ongegrond zijn verklaard. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt ambtshalve of appellant procesbelang heeft ten aanzien van de aan hem op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW opgelegde verplichtingen. De Raad beoordeelt ook of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep ten aanzien van de verplichtingen nietontvankelijk is en met betrekking tot de bijzondere bijstand en de toegekende jongerennorm niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Hoger beroep over bestreden besluit 2 (de verplichtingen van artikel 9, eerste lid van de PW)
4.1.
De Raad is van oordeel dat appellant geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de in de bestreden besluitvorming en het plan van aanpak op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW opgelegde verplichtingen en licht dit als volgt toe.
4.1.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak [1] bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.1.2.
Appellant ontvangt als gevolg van zijn verhuizing naar de gemeente [naam gemeente] sinds 13 maart 2021 geen bijstand meer van het college. Vaststaat dat het college aan appellant geen maatregelen heeft opgelegd in verband met het niet naleven van aan hem opgelegde verplichtingen. Het geschil ziet in zoverre op een al verstreken periode en een inhoudelijk oordeel over dit deel van bestreden besluit 2 is niet van belang voor een toekomstige periode. Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte aan hem verplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW heeft opgelegd en meent dat dit onrecht in rechte vastgesteld moet worden. Dit is echter een louter principieel belang. Dat is gelet op 4.1.1 onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
Hoger beroep over bestreden besluit 1 (drie aanvragen om bijzondere bijstand)
Eerste aanvraag: eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij voor de kosten van de eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015 geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening. Een voorliggende voorziening is alleen als zodanig aanwezig als de kosten op grond van die voorziening daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is hier niet het geval. Dat de wetgever over de eigen bijdrage een bewuste keuze heeft gemaakt, betekent volgens appellant niet dat gesproken kan worden van een voorliggende voorziening. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Niet in geschil is dat de kosten voor de eigen bijdrage vallen binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. De Raad heeft eerder overwogen [2] en ook niet in geschil is dat in die voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over het ontbreken van de noodzaak van vergoeding van die kosten.
4.2.2.
Anders dan appellant heeft aangevoerd is er in zijn geval – ondanks het niet vergoeden van de kosten voor de eigen bijdrage op grond van een voorliggende voorziening – toch sprake van een situatie waarbij een voorliggende voorziening aan bijstandsverlening in de weg staat. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW bestaat namelijk geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als voor de vergoeding van een bepaalde kostensoort in het algemeen of in een specifieke situatie in de voorliggende voorziening de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, zoals in dit geval, moet de bijstandverlenende instantie voor de toepassing van de PW daarbij aansluiten. Dit is vaste rechtspraak. [3] Zou in een dergelijke situatie niettemin bijstand worden verleend, dan zou namelijk het functioneren van een voorliggende voorziening worden doorkruist. [4]
Tweede aanvraag: kosten van levensonderhoud
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn kosten van levensonderhoud uitgaan boven het bedrag dat hij aan studiefinanciering ontving. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.3.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud, omdat appellant ten tijde van belang studiefinanciering ontving op grond van de Wsf 2000. Deze wet moet voor de kosten van levensonderhoud worden beschouwd als een toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak. [5]
Derde aanvraag: eigen bijdrage voor rechtsbijstand
4.4.
Appellant voert in de eerste plaats aan dat het college ten onrechte bij het vaststellen van het inkomen bij de draagkrachtberekening niet is uitgegaan van het bedrag dat hij feitelijk aan studiefinanciering ontving maar van een veel hoger bedrag, inclusief rentedragende aanvullende lening, dat hij niet ontving. Deze grond slaagt niet.
4.4.1.
De Raad begrijpt deze beroepsgrond zo dat appellant betoogt dat het college bij de draagkrachtberekening zijn inkomen niet conform de beleidsregels heeft vastgesteld. Dat volgt de Raad niet. Op grond van artikel 35 enPro 36 van de beleidsregels wordt voor de bepaling van de draagkracht 35% van het inkomen boven 110% van de bijstandsnorm in aanmerking genomen. Daarbij wordt het inkomen bepaald op dezelfde wijze als het inkomen als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de PW. Dat volgt uit de omstandigheid dat in de beleidsregels geen afzonderlijke definitie van het inkomen is gegeven. Benoemd wordt wanneer van welke inkomensbepalingen van de PW wordt afgeweken en daarmee wordt impliciet aangesloten bij de overige bepalingen van de PW. Het college heeft het inkomen van appellant ook berekend met inachtneming van het in artikel 33, tweede lid, van de PW bedoelde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wsf 2000 en dat ten tijde van belang € 882,47 bedroeg.
4.5.
Appellant is het er verder niet mee eens dat het college bij de berekening van de draagkracht het beleid hanteert dat het inkomen wordt afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnorm. Voor de groep studerenden van 18, 19 of 20 jaar, zoals appellant, is dit beleid niet redelijk, omdat het college voor die groep de jongerennorm hanteert. Deze jongerennorm is veel lager dan het inkomen van deze groep als dat wordt vastgesteld op het maximale bedrag aan studiefinanciering, dus inclusief de rentedragende lening. De jongerennorm omvat ook niet alle kosten van het bestaan, omdat daarbij rekening wordt gehouden met de wettelijke onderhoudsplicht van de ouders. De ouders van appellant kunnen nu juist niet bijdragen omdat zijn vader buiten beeld is en zijn moeder een inkomen op bijstandsniveau heeft. Ouders die een inkomen hebben op bijstandsniveau kunnen niet voldoen aan hun onderhoudsplicht. Volgens appellant moet het inkomen van de groep studerenden van 18, 19 of 20 jaar, althans het inkomen in zijn geval, dan ook worden vergeleken met de bijstandsnorm voor personen vanaf 21 jaar. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.1.
De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid over die draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of anderszins onaanvaardbaar is, dient de bestuursrechter te beoordelen of de bijstandverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Indien wordt geoordeeld dat dit beleid de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat en voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, moet vervolgens worden beoordeeld of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van dat beleid. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. [6]
4.5.2.
Ter zitting heeft het college artikel 35 vanPro de beleidsregels, voor zover daarin voor de vaststelling van de draagkracht onderscheid wordt gemaakt naar de toepasselijke bijstandsnorm, toegelicht en gesteld dat een alleenstaande van 21 jaar en ouder veel kosten heeft waarin hij zelf moet voorzien, terwijl een jongere van 18, 19 of 20 jaar (jongmeerderjarige) voor zijn kosten geacht wordt mede een beroep te kunnen doen op zijn ouders. Tot de leeftijd van 21 jaar rust op de ouders immers een wettelijke onderhoudsplicht.
4.5.3.
De Raad stelt vast dat het door het college gemaakte onderscheid naar de toepasselijke bijstandsnorm is gebaseerd op het gangbare kostenpatroon van de betrokkene. In zoverre is uitsluitend in ogenschouw genomen wat de betrokkene gelet op zijn leefsituatie en kostenpatroon van de noodzakelijke kosten zelf kan dragen. Niet kan worden gezegd dat het college, gezien de hem toekomende beoordelingsvrijheid, daarmee niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
4.5.4.
Voor zover appellant heeft betoogd dat het college in zijn geval met toepassing van artikel 4:84 vanPro de Awb had moeten afwijken van de beleidsregels, treft dit betoog geen doel. Appellant wordt niet gevolgd in de algemene stelling dat een ouder die bijstand ontvangt niet kan bijdragen aan de kosten van een jongmeerderjarige. Hierbij is van belang dat een ouder zich niet alleen van zijn onderhoudsplicht kan kwijten door verstrekking van het volgens de wet verschuldigde bedrag voor levensonderhoud aan het kind, maar ook door het kind bij zich te laten wonen en aldaar van het nodige te voorzien. [7] Appellant heeft voor het overige geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 vanPro de Awb in zijn geval van de beleidsregels had moeten afwijken.
Hoger beroep over bestreden besluit 2 (jongerennorm) en bestreden besluit 3 (bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW)
4.6.
Appellant heeft over zowel de toekenning van algemene bijstand naar de jongerennorm, en daarmee impliciete weigering om de bijstand naar boven af te stemmen, als de expliciete afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van artikel 12 (oud) van de PW aangevoerd dat de jongerennorm in zijn geval niet toereikend is. Appellant meent dat het college in zijn geval – linksom of rechtsom – aanvullend op de voor hem geldende norm bijstand moet verlenen. Ook in dit kader heeft appellant aangevoerd dat een ouder die inkomen op bijstandsniveau ontvangt zoals de zijne, niet kan voldoen aan de onderhoudsplicht die de ouder jegens zijn kind heeft. Verder heeft appellant aangevoerd dat het wel aannemelijk is dat zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de voor hem geldende bijstandsnorm en dat hij zijn stellingen daarover niet hoeft te onderbouwen. Ook deze beroepsgronden slagen niet.
4.6.1.
Zoals hiervoor onder 4.5.4 is overwogen, wordt appellant niet gevolgd in zijn algemene stelling dat een ouder die inkomen op bijstandsniveau ontvangt niet kan bijdragen aan de kosten van een jongmeerderjarige.
4.6.2.
Iemand die (aanvullend op de voor hem geldende norm) bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft daarop. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. In het kader van aanvragen als onderhavig betekent dat onder meer dat de aanvrager daarom feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die duidelijkheid geven over zijn (zeer bijzondere) financiële situatie.
4.6.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant heeft namelijk geen stukken overgelegd die zijn ingediende kostenoverzicht onderbouwen en dat had gelet op het door het college verrichte onderzoek en de in 4.6.2 genoemde op hem rustende bewijslast wel van hem mogen worden verwacht. Dat appellant in dit geval bewust geen bewijsstukken heeft overgelegd, komt voor zijn rekening en risico.
Aanvullende schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
4.7.
Appellant heeft ter zitting een aanvullend verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Dit verzoek zal worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.7.1.
Een rechterlijke procedure moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [8] De behandeling in bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. [9]
4.7.2.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [10]
4.7.3.
De procedures over de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand en de toekenning van algemene bijstand naar de jongerennorm hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. In beroep en hoger beroep zijn de procedures gezamenlijk behandeld.
4.7.4.
Het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel is 4 februari 2020. Op die dag ontving het college het bezwaarschrift tegen het onder 1.4 vermelde besluit. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 4 februari 2020 tot aan de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim een maand verstreken. Noch in de zaken zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedures meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaren en ruim een maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.500,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van de bezwaren minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.
4.7.5.
Nu de rechtbank aan appellant voor de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige procedures al een totaalbedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend, volgt uit 4.7.2 en 4.7.3 dat appellant geen recht heeft op een aanvullende schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
4.8.
Appellant heeft geen procesbelang bij beoordeling van de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de aan appellant opgelegde verplichtingen van artikel 9, eerste lid, (oud) van de PW. Het hoger beroep zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep op dit punt. Voor het overige slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand en de toekenning naar de jongerennorm in stand blijven. Het verzoek om aanvullende vergoeding van schade wordt afgewezen.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt en het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de opgelegde verplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de PW;
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 9. Verplichtingen (zoals dat luidde tot 1 januari 2026)
1. De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
(…).
Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders (geldend tot 1 januari 2026)
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
Artikel 15. Voorliggende voorziening
Geen recht op bijstand bestaat voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 20. Jongerennormen (zoals dat luidde van 1 januari 2020 tot 1 juli 2020)
1. Voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar: € 259,78;
(…)
Artikel 35 IndividuelePro en categoriale bijzondere bijstand
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
2.Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 en, indien een toeslag als bedoeld in artikel 3.5 van die wet is toegekend, het bedrag aan toeslag, genoemd in artikel 3.18 van die wet.
(…)
Nadere regels sociaal domein Alphen aan de Rijn
Artikel 34. Draagkrachtperiode
1. De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden.
2. De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste dag van de maand waarin de aanvraag op basis van artikel 35 vanPro de Participatiewet ingediend wordt of een voorziening als bedoeld in artikel 12 vanPro de verordening toegekend wordt.
3. Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend wordt, dan kan in afwijking van lid 2, de ingangsdatum van de draagkrachtperiode bepaald worden op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.
Artikel 35. Berekening draagkrachtruimte
1. Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het netto inkomen per maand, exclusief vakantietoeslag, keer twaalf.
(…)
4. Middelen die niet tot het inkomen gerekend worden op basis van artikel 31 lidPro 2, de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lidPro 5, de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 enPro de individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36 sub b vanPro de Participatiewet worden voor de draagkrachtberekening niet meegenomen.
5. De draagkrachtruimte wordt vastgesteld door op het inkomen het volgende in mindering te brengen:
a. 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c vanPro de Participatiewet onder aftrek van de vakantietoeslag als genoemd in artikel 19 lid 3 vanPro de Participatiewet en;
b. eventuele buitengewone lasten die gelet op de persoonlijke situatie van de belanghebbende noodzakelijk zijn, waarvoor geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening en geen bijzondere bijstand verleend wordt.
6. Voor de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in lid 5 wordt uitgegaan van de norm die geldt op het moment van de aanvraag.
Artikel 36. Vaststelling draagkracht
1. De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de draagkrachtruimte.
(…)
4. De draagkracht geldt over de periode van 12 maanden.
5. Als sprake is van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend.
10.Zie onder meer de arresten van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, onder 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:HR:2016:252, onder 3.10.2, en de uitspraak van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125.