Betrokkene, die bijstand ontving op grond van de Participatiewet en onder bewind stond, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering. Het college van burgemeester en wethouders van Coevorden wees de aanvraag af op grond van het gemeentelijke beleid dat draagkracht in vermogen beoordeelde aan de hand van een vrijlating van slechts één maand van de bijstandsnorm, wat resulteerde in de conclusie dat betrokkene voldoende draagkracht had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellanten, de erven van betrokkene, stelden dat het beleid in strijd was met het evenredigheidsbeginsel omdat het onderscheid maakte tussen kosten van bewindvoering en andere bijzondere kosten, terwijl betrokkene slechts een gering bedrag overhield om van te leven.
De Raad oordeelde dat het beleid niet gebaseerd was op omstandigheden die betrekking hadden op het zelf kunnen dragen van de kosten, maar op budgettaire overwegingen van de gemeente, waardoor het buiten de grenzen van redelijke beleidsbepaling trad. Omdat het vermogen van betrokkene lager was dan de geldende vermogensgrens, had hij geen draagkracht en had bijzondere bijstand moeten worden toegekend.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022. Tevens werden de proceskosten en griffierechten aan appellanten vergoed.