ECLI:NL:CRVB:2025:1704

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
22/3798 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 1:3 AwbArt. 3:4 AwbArt. 4:84 AwbArt. 2.14a Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering wegens onredelijke beleidsregel

Betrokkene, die bijstand ontving op grond van de Participatiewet en onder bewind stond, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van bewindvoering. Het college van burgemeester en wethouders van Coevorden wees de aanvraag af op grond van het gemeentelijke beleid dat draagkracht in vermogen beoordeelde aan de hand van een vrijlating van slechts één maand van de bijstandsnorm, wat resulteerde in de conclusie dat betrokkene voldoende draagkracht had.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellanten, de erven van betrokkene, stelden dat het beleid in strijd was met het evenredigheidsbeginsel omdat het onderscheid maakte tussen kosten van bewindvoering en andere bijzondere kosten, terwijl betrokkene slechts een gering bedrag overhield om van te leven.

De Raad oordeelde dat het beleid niet gebaseerd was op omstandigheden die betrekking hadden op het zelf kunnen dragen van de kosten, maar op budgettaire overwegingen van de gemeente, waardoor het buiten de grenzen van redelijke beleidsbepaling trad. Omdat het vermogen van betrokkene lager was dan de geldende vermogensgrens, had hij geen draagkracht en had bijzondere bijstand moeten worden toegekend.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van bewindvoering over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022. Tevens werden de proceskosten en griffierechten aan appellanten vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten wordt vernietigd en bijzondere bijstand wordt toegekend.

Uitspraak

22/3798 PW
Datum uitspraak: 11 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 november 2022, 21/3541 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven (appellanten) van [betrokkenne] te [woonplaats] (betrokkene)
het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (college)
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, met als reden dat betrokkene volgens het beleid van de gemeente Coevorden nog voldoende draagkracht had in zijn vermogen om die kosten te voldoen. Appellanten zijn het daar niet mee eens. Volgens appellanten is het beleid van de gemeente in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Betrokkene ontving de instellingsnorm en hield nog maar een zeer gering bedrag over om van te leven en kon niet reserveren. Appellanten krijgen gelijk. Het beleid van de gemeente gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Het college had de aanvraag daarom niet mogen afwijzen. Het hoger beroep slaagt.

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en op 2 mei 2024 een nader stuk overgelegd.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2024.
Het onderzoek is na de zitting heropend. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Appellanten hebben nog een nader stuk overgelegd.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak vervolgens behandeld op een zitting van 15 april 2025. Namens appellanten is mr. Van Deuzen verschenen. Tevens waren aanwezig [naam voormalig bewindvoerder], voormalig bewindvoerder, en de vader van betrokkene, een van de erven. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok.
Op 16 oktober 2025 heeft mr. Van Deuzen de Raad bericht dat betrokkene inmiddels is overleden en dat de procedure namens appellanten, de erven van betrokkene, door hem wordt voortgezet.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene woonde vanaf [dat] 2021 in een verzorgingstehuis in de gemeente [woonplaats] en ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met verblijf in een instelling. Betrokkene leed aan de ziekte van Huntington. Hij stond onder bewind bij [x] te [vestigingsplaats]. Op 1 juli 2021 heeft betrokkene bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 119,69 per maand.
1.2.
In een rapportage van 11 augustus 2021, die naar aanleiding van deze aanvraag is opgesteld, staat dat volgens de Beleidsregels Bijzondere bijstand Coevorden 2011 (Beleidsregels) voor de draagkracht in vermogen rekening wordt gehouden met al het vermogen dat hoger is dan de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Aangezien betrokkene een vermogen heeft van € 2.754,01, in de vorm van banksaldi, en de bijstandsnorm voor hem € 358,47 per maand is, resteert een vermogen van € 2.395,54. Dit is voldoende om de kosten van bewindvoering te kunnen voldoen.
1.3.
Met een besluit van 12 augustus 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 oktober 2021 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover hier relevant, de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het college – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat betrokkene voldoende draagkracht in zijn vermogen heeft om deze kosten te voldoen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. De in de Beleidsregels gehanteerde vermogensvrijstelling van eenmaal de voor betrokkene geldende bijstandsnorm past op zichzelf binnen de marges van de geldende beoordelingsruimte. Er is geen aanleiding om anders te oordelen in de situatie dat de aanvrager een uitkering ontvangt op grond van de instellingsnorm van artikel 23 van Pro de PW. Omdat het vermogen van betrokkene hoger was dan eenmaal de voor hem geldende bijstandsnorm heeft het college op grond van de Beleidsregels mogen weigeren aan betrokkene bijzondere bijstand te verlenen. In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de Beleidsregels had moeten afwijken.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van onderbewindstelling in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en het toegepaste beleid die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procedure bij de rechtbank
4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld doordat het verzoek van hun gemachtigde om via beeldbellen deel te nemen aan de behandeling van de zaak ter zitting ongemotiveerd is afgewezen en de zitting buiten aanwezigheid van hun gemachtigde heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.1.1.
Uit de stukken van de rechtbankprocedure blijkt het volgende. Na de uitnodiging voor de behandeling ter zitting op 27 september 2022 heeft de gemachtigde van appellanten de rechtbank met een brief van 2 augustus 2022 laten weten dat de mentoren van betrokkene graag digitaal aan de zitting willen deelnemen, dat dit voor hem ook geldt en dat de bewindvoerder de zitting fysiek zal bijwonen. De gemachtigde verzoekt daarom om een hybride zitting te plannen. De rechtbank heeft met een brief van 15 september 2022 aan de gemachtigde meegedeeld dat dit verzoek is afgewezen en dat de zitting fysiek zal plaatsvinden. Vervolgens heeft de gemachtigde de rechtbank met een brief van 19 september 2022 laten weten dat deze ongemotiveerde weigering in strijd is met recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechters en met de goede procesorde, dat hij niet zal verschijnen als de rechtbank de weigering om de zitting hybride te doen handhaaft en dat de bewindvoerder overigens wel aanwezig zal zijn. Op de zitting van 27 september 2022 was van de kant van appellanten alleen de bewindvoerder aanwezig.
4.1.2.
De Raad stelt voorop dat er geen absoluut recht bestaat om digitaal aan een zitting deel te nemen. Gelet op artikel 2.14a, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken kan de rechtbank bepalen dat een zitting online plaatsvindt. Dat het in de coronaperiode op ruime schaal is toegestaan om digitaal aan zittingen van rechterlijke instanties deel te nemen, betekent niet de rechtbank ten tijde van belang toen geen beperkingen in verband met de Covid-pandemie bestonden, gehouden was aan de gemachtigde van appellanten toe te staan digitaal aan de zitting deel te nemen. Het verwijt van appellanten aan de rechtbank dat het verzoek van hun gemachtigde om digitaal aan de zitting deel te nemen ongemotiveerd is afgewezen, treft alleen al geen doel, omdat het verzoek zelf niet was gemotiveerd. Gelet hierop mocht de rechtbank het verzoek afwijzen. Verder is het feit dat de zitting buiten aanwezigheid van de gemachtigde heeft plaatsgevonden geen gevolg van de beslissing van de rechtbank, maar van zijn eigen, in de brief van 19 september 2019 vermelde keuze. De rechtbank heeft hem niet van deelname aan de zitting afgehouden. Overigens hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene is benadeeld doordat hij tijdens de zitting alleen door zijn bewindvoerder werd vertegenwoordigd en niet ook door zijn gemachtigde.
Toepassing van artikel 35 PW Pro
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.2.1.
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB), [1] de voorloper van artikel 35 van Pro de PW, is over de beoordeling van de draagkracht het volgende opgenomen:
“Burgemeester en wethouders hebben in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat zij zelf bepalen welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De vrijlatingsbepalingen ex artikel 34 (vermogen) zijn daarom niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand. Deze wet geeft de gemeenten ook op dit punt dus meer bevoegdheden dan de Algemene bijstandswet. Ook de vaststelling van de draagkracht in het inkomen van belanghebbende is een bevoegdheid van gemeenten. Overwegingen die bij de vaststelling van de draagkracht een rol kunnen spelen, betreffen de aard van de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en overige persoonlijke omstandigheden.”
4.2.2.
In deze geciteerde passage wordt gedoeld op de situatie onder de gelding van de Algemene bijstandswet, waarin de draagkracht nog bij wettelijk voorschrift was bepaald. [2]
Invulling van de beoordelingsruimte
4.3.1.
Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte de Beleidsregels vastgesteld. De Beleidsregels zijn in werking zijn getreden toen de WWB van toepassing was, maar golden ook nog ten tijde van de besluitvorming in deze zaak, toen de PW van toepassing was. Dit betekent dat waar in de Beleidsregels de WWB wordt genoemd, de PW wordt bedoeld.
4.3.2.
Volgens paragraaf 3 van de Beleidsregels (‘Vermogen’) is voor de vaststelling van het vermogen aangesloten bij de vermogensvrijlating van artikel 34 van Pro de PW. In afwijking daarvan staat in paragraaf 6 (‘De kosten’) in punt 18 (‘Onderbewindstelling’) onder het kopje ‘Bijzonderheden’ dat bij de vermogenstoets één maand van de van toepassing zijnde norm zonder vakantietoeslag wordt vrijgelaten.
4.3.3.
Met ingang van 22 februari 2025 zijn de Beleidsregels in die zin gewijzigd dat ook voor de kosten van bewindvoering geldt dat het vermogen als bedoeld in artikel 34 van Pro de PW als draagkracht in aanmerking wordt genomen voor zover het meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.
Geschil
4.4.
Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering waarvoor betrokkene bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Uitsluitend is in geschil of betrokkene voldoende draagkracht in zijn vermogen had om de kosten van bewindvoering zelf te kunnen voldoen.
4.5.
Volgens appellanten was dat niet het geval. Zij voeren aan dat het beleid van het college om voor de beoordeling van de draagkracht slechts een bedrag ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vrij te laten in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierbij wijzen appellanten er op dat in dat beleid ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende kostensoorten. Ook wijzen appellanten op het volgende. Betrokkene kreeg bijstand naar de instellingsnorm, waardoor slechts een gering deel van zijn vermogen wordt vrijgelaten in verhouding tot iemand die de alleenstaandennorm ontvangt. Als gevolg van zijn ziekte maakte betrokkene ongecontroleerde bewegingen waardoor soms dingen kapot gaan, zoals zijn televisie. Door toepassing van het beleid van het college met gevolg dat betrokkene de kosten van bewindvoering uit eigen middelen moest betalen, beschikte betrokkene niet meer over de middelen om bijvoorbeeld een nieuwe televisie aan te schaffen of om te reserveren voor een vakantie.
Toetsingskader
4.6.
De Raad stelt voorop dat met het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de PW aan de bijstandverlenende instantie geen discretionaire maar een gebonden begunstigende bevoegdheid tot verlening van bijzondere bijstand is toegekend. Dit betekent dat er recht is op bijzondere bijstand als aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Vaststelling van de draagkracht is pas aan de orde als aan de andere voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de PW is voldaan, dus nadat is vastgesteld dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.6.1.
De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of het besluit over die draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter zoals voorheen – en anders dan de Raad wel eens eerder heeft overwogen [3] – te beoordelen of de bijstandsverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Indien wordt geoordeeld dat dit beleid de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat, moet vervolgens worden beoordeeld of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van dat beleid.
Is het college binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven?
4.7.
De Raad is met appellanten van oordeel dat het college met de in geding zijnde beleidsregel niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.7.1.
Uit 4.3.2 volgt dat in de Beleidsregels ten tijde hier van belang voor de vaststelling van de draagkracht in vermogen, een bijzondere regel van toepassing was voor aanvragers van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. De in de Beleidsregels vervatte hoofdregel voor de vaststelling van de draagkracht in vermogen is dat alleen het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de PW als draagkracht in aanmerking wordt genomen. In het geval van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering gold daarentegen ten tijde van belang dat al het vermogen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht in aanmerking wordt genomen. Ter zitting van de Raad heeft het college toegelicht dat dit onderscheid om budgettaire redenen is gemaakt, omdat een groot deel van de totale gemeentelijke uitgaven aan bijzondere bijstand opgaat aan kosten van bewindvoering.
4.7.2.
Zoals in 4.6.1 is overwogen, gaat het bij de beoordeling van de draagkracht uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager van bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. De in geding zijnde beleidsregel – waarmee voor een aanvrager van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in ongunstige zin wordt afgeweken van een aanvrager van bijzondere bijstand voor andere kosten – is echter niet gebaseerd op omstandigheden die betrekking hebben op het al dan niet zelf kunnen dragen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, maar uitsluitend op het beheer van de gemeentelijke financiën. Daarom is het college met die beleidsregel buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Hierbij komt dat voor aanvragers van bijzondere bijstand voor zowel de kosten van bewindvoering als voor andere kosten geldt dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, als wordt toegekomen aan vaststelling van de draagkracht.
4.8.
Gelet op 4.7.2 komt de Raad in dit geval niet toe aan de beoordeling of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de Beleidsregels.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover het de afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering betreft.
4.10.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.10.1.
Omdat de Beleidsregels voor zover die betrekking hebben op de vaststelling van de draagkracht in vermogen in het geval van kosten van bewindvoering de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaan, kan in zoverre geen toepassing worden gegeven aan de Beleidsregels. Dit betekent dat ook in dit geval toepassing moet worden gegeven aan de in dit verband geldende hoofdregel van de Beleidsregels, inhoudend dat voor de draagkracht in vermogen alleen het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de PW in aanmerking wordt genomen. Ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand was die grens voor betrokkene € 6.295,-. Aangezien het vermogen van betrokkene toen € 2.754,01 was, en dus lager dan de voor hem van toepassing zijnde vermogensgrens, staat vast dat betrokkene geen draagkracht in vermogen had. Omdat betrokkene gezien zijn bijstandsuitkering ook geen draagkracht had in inkomen boven de bijstandsnorm, staat hiermee ook vast dat betrokkene met toepassing van het beleid recht had op de door hem aangevraagde bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering.
4.10.2.
Gelet op 4.10.1 zal de Raad het besluit van 12 augustus 2021 herroepen voor zover daarbij de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering is afgewezen en bepalen dat aan appellanten over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 bijzondere bijstand wordt toegekend voor deze kosten tot een bedrag van € 119,69 per maand.
5. Appellanten krijgen een vergoeding voor de kosten die zij in beroep en hoger beroep hebben moeten maken voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 907,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift) en € 2.267,50 in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van de Raad), in totaal € 3.174,50. Daarnaast krijgen appellanten een vergoeding voor de door de bewindvoerder gemaakte reiskosten tot een bedrag van in totaal € 98,35. Ook krijgen appellanten het door hun in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 oktober 2021 voor zover dat betrekking heeft op de kosten voor bewindvoering;
  • herroept het besluit van 12 augustus 2021 ook in zoverre en kent aan appellanten over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 bijzondere bijstand toe voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 119,69 per maand;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 oktober 2021;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.272,85;
  • bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en toepasselijk beleid
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, vierde lid
Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het besluit van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Beleidsregels Bijzondere bijstand Coevorden 2011
§ 1.2 – Stappenplan
[…]
2. Draagkracht
Het draagkrachtpercentage wordt vastgesteld op 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het gaat om de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Al het inkomen dat boven dit percentage uitkomt wordt als draagkracht aangemerkt. Als de kosten hoger zijn dan de draagkracht komt het meerdere voor bijzondere bijstand in aanmerking.
[…]
4) Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen?
[…]
4) Hier rijst de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, uit het vermogen en uit het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Bij deze vraag wordt het vermogen in de beoordeling betrokken. Het vermogen als bedoeld in artikel 34 WWB Pro wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. […]
§ 3 – Vermogen
Voor de vaststelling van het vermogen wordt aangesloten bij de vermogensvrijlating bij de toekenning van algemene bijstand zoals bepaald in artikel 34 WWB Pro. […]
§ 6 – De kosten
[…]
18. Onderbewindstelling
[…]
Bijzonderheden
Er wordt bij de vermogenstoets één maand de van toepassing zijnde norm vrijgelaten. De norm is zonder vakantiegeld.
Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
Artikel 2.14a
1. De rechtbank kan uit eigen beweging of op verzoek van een partij bepalen dat de zitting geheel of gedeeltelijk online plaatsvindt.

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, blz. 65.
2.Zie bijvoorbeeld Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria, Stb. 1980, 87, en artikel 40 van Pro de Algemene bijstandswet, Stb. 1995, 199.
3.Uitspraken van 11 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:705, en 21 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:975.