ECLI:NL:CRVB:2025:1705

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
23/868 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering en draagkrachtbeoordeling

In deze zaak gaat het om de hoogte van de door het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) en stond onder bewind. Het college heeft slechts een deel van de kosten voor bewindvoering vergoed, met de reden dat appellant volgens het beleid draagkracht heeft en gedeeltelijk zelf in de kosten kan voorzien. Appellant is het hier niet mee eens en stelt dat het beleid in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven en dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het beleid. Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen, en de toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 67,41 blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitspraak

23/868 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2023, 22/1699 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de hoogte van de door het college aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Het college heeft slechts voor een deel van die kosten bijzondere bijstand toegekend, met als reden dat appellant volgens het beleid van de gemeente Deventer draagkracht in zijn vermogen heeft en gedeeltelijk zelf in de kosten kan voorzien. Appellant is het daar niet mee eens. Volgens appellant is het beleid van het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het beleid en het college hoefde niet van het beleid af te wijken. Daarom slaagt het hoger beroep niet en houdt het bestreden besluit stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De zaak was aanvankelijk geagendeerd op 17 december 2024 voor een behandeling door een enkelvoudige kamer. Die heeft de zaak in verband met de inhoud van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak vervolgens behandeld op een zitting van 15 april 2025. Namens appellant is mr. Hoksbergen verschenen. Tevens was aanwezig [naam bewindvoerder] , bewindvoerder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.M. Wijnberg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met verblijf in een instelling. Appellant staat sinds 2019 onder bewind van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (bewindvoerder). Hij ontving sindsdien bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. De bewindvoerder heeft op 31 december 2021 namens appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van bewindvoering over het jaar 2022 tot een bedrag van € 125,53 per maand.
1.2.
In een rapportage van 15 maart 2022, die naar aanleiding van deze aanvraag is opgesteld, staat dat volgens de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Deventer 2021 (Beleidsregels) voor de draagkracht in vermogen 2,5 keer de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt vrijgelaten. Omdat de instellingsnorm € 378,68 per maand bedraagt, wordt van het vermogen van appellant, in de vorm van banksaldi ter hoogte van € 1.646,73, een bedrag van € 949,29 vrijgelaten. De draagkracht van appellant is dus € 697,53 per jaar en € 58,13 per maand. Hij heeft daarom per 1 januari 2022 recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 67,41 per maand.
1.3.
Met een besluit van 15 maart 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 september 2022 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 67,41 per maand. Aan de besluitvorming heeft het college, onder verwijzing naar de Beleidsregels ten grondslag gelegd dat appellant draagkracht heeft in zijn vermogen tot een bedrag van € 58,13 per maand en dus tot dat bedrag de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en het toegepaste beleid die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toepassing van artikel 35 PW
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.1.1.
In de geschiedenis [1] van de totstandkoming van artikel 35 van de Wet werk en bijstand, de voorloper van artikel 35 van de PW, is over de beoordeling van de draagkracht het volgende opgenomen:
“Burgemeester en wethouders hebben in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Dit betekent dat zij zelf bepalen welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De vrijlatingsbepalingen ex artikel 34 (vermogen) zijn daarom niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand. Deze wet geeft de gemeenten ook op dit punt dus meer bevoegdheden dan de Abw. Ook de vaststelling van de draagkracht in het inkomen van belanghebbende is een bevoegdheid van gemeenten. Overwegingen die bij de vaststelling van de draagkracht een rol kunnen spelen, betreffen de aard van de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en overige persoonlijke omstandigheden.”
4.1.2.
In deze geciteerde passage wordt gedoeld op de situatie onder de gelding van de Algemene bijstandswet, waarin de draagkracht nog bij wettelijk voorschrift was bepaald. [2]
Invulling van de beoordelingsruimte
4.2.
Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte de Beleidsregels vastgesteld. Volgens artikel 6, tweede en derde lid, van de Beleidsregels wordt voor de draagkracht vermogen in de vorm van banksaldi aanmerking genomen voor zover dit hoger is dan 2,5 keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Geschil
4.3.
Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Uitsluitend is in geschil of appellant draagkracht in zijn vermogen heeft om een deel van de kosten van bewindvoering zelf te kunnen voldoen.
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
4.4.
Volgens appellant is dat niet het geval. Hij voert aan dat het beleid van het college om voor de beoordeling van de draagkracht slechts een bedrag ter hoogte van 2,5 keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm vrij te laten (beoordelingsbeleid) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellant krijgt bijstand naar de instellingsnorm en kan dus minder spaargeld behouden dan een alleenstaande die niet in een inrichting verblijft. Appellant kan door het beoordelingsbeleid ook weinig spaargeld opbouwen voor welke uitgave dan ook. Dit is volgens appellant onevenredig.
Toetsingskader
4.5.
De Raad stelt voorop dat met het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de PW aan de bijstandverlenende instantie geen discretionaire maar een gebonden begunstigende bevoegdheid tot verlening van bijzondere bijstand is toegekend. Dit betekent dat er recht is op bijzondere bijstand als aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan. Vaststelling van de draagkracht is pas aan de orde als aan de andere voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de PW is voldaan, dus nadat is vastgesteld dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.5.1.
De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of het besluit over die draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter zoals voorheen – en anders dan de Raad wel eens eerder heeft overwogen [3] – te beoordelen of de bijstandsverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Indien wordt geoordeeld dat dit beleid de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat, moet vervolgens worden beoordeeld of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van dat beleid.
Is het college binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven?
4.6.
De Raad is van oordeel dat het college met de in geding zijnde beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Ter zitting heeft het college de Beleidsregels, voor zover daarin voor de vaststelling van de draagkracht in vermogen onderscheid wordt gemaakt naar de toepasselijke bijstandsnorm, als volgt toegelicht. Een alleenstaande die niet in een instelling verblijft heeft veel kosten waarin hij zelf moet voorzien, terwijl iemand die in een instelling verblijft die kosten niet zelf hoeft te betalen, omdat de instelling daarin voorziet. Daarom wordt voor een alleenstaande ten opzichte van iemand die in een inrichting verblijft een groter bedrag van zijn banksaldi buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de draagkracht in vermogen. Het college heeft daarbij beslist om van het aanwezige vermogen een bedrag ter hoogte van 2,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm vrij te laten.
4.6.2.
De Raad stelt vast dat het door het college gemaakte onderscheid naar toepasselijke bijstandsnorm (bijvoorbeeld voor gehuwden, alleenstaanden, mensen die in een inrichting verblijven en kostendelers) en de beslissing om een bedrag ter hoogte van 2,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm vrij te laten, is gebaseerd op het gangbare kostenpatroon van de betrokkene. In zoverre is uitsluitend in ogenschouw genomen wat betrokkene gelet op zijn leefsituatie en kostenpatroon van de noodzakelijke kosten zelf kan dragen. Niet kan worden gezegd dat het college, gezien de hem toekomende beoordelingsruimte, daarmee niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.
4.7.
Niet in geschil is dat het bestreden besluit overeenkomstig het beoordelingsbeleid is genomen. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 67,41 in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
De griffier is verhinderd te ondertekenen
Bijlage: voor deze uitspraak van belangrijke wettelijke bepalingen en toepasselijk beleid
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3, vierde lid
4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het besluit van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 3:4, tweede lid
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Deventer 2021
Artikel 6, eerste, tweede, derde en vijfde lid
1. Bij de bepaling van de draagkracht uit het vermogen wordt geen rekening gehouden met de op datum aanvraag aanwezige schulden.
2. Aanwezige banksaldi worden tot een bedrag ter hoogte van 2,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm buiten beschouwing gelaten.
3. Het voor de algemene bijstand buiten beschouwing te laten vermogen als bedoeld in artikel 35 lid 3 Participatiewet wordt volledig voor de draagkracht voor bijzondere kosten in aanmerking genomen voor zover het bedrag bedoeld in lid 2 te boven gaat.
(…)
5. In afwijking van het eerste en het tweede lid blijft vermogen buiten beschouwing, voor zover dit uitdrukkelijk is gereserveerd voor de voldoening van aanwezige schulden in het kader van een schuldenregeling.

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken II 2002/03, 28870, nr. 3, blz. 65.
2.Zie bijvoorbeeld Bijstandsbesluit landelijke draagkrachtcriteria, Stb. 1980, 87, en artikel 40 van de Algemene bijstandswet, Stb. 1995, 199.
3.Uitspraken van 11 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:705, en 21 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:975.