Appellante, geboren in 1954 en woonachtig in België, heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) concludeerde dat appellante niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot, wat door de rechtbank Amsterdam werd bevestigd. De Raad toetste dit oordeel en oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar echtgenoot ieder een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn.
De Raad overwoog dat de feitelijke omstandigheden, zoals het wekelijks contact, het beheren van de administratie en mantelzorg, wijzen op het ontbreken van duurzaam gescheiden leven. Ook de stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven en de AVG werd verworpen. Daarnaast werd het beroep op discriminatie ten opzichte van ongehuwden in een latrelatie niet gevolgd, gelet op de bijzondere juridische positie van het huwelijk.
Verder oordeelde de Raad dat de verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd van de AOW, zoals geregeld in artikel 7a van de AOW, niet leidt tot een onevenredig zware last voor appellante. Zij had voldoende gelegenheid gehad om zich op deze wijziging voor te bereiden. Tot slot werd een schadevergoeding van €1.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.