ECLI:NL:CRVB:2026:285

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/572 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 AOWArt. 7a AOWArt. 9 AOWArt. 13 AOWArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning AOW-pensioen gehuwden wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven

Appellante, geboren in 1954 en woonachtig in België, heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) concludeerde dat appellante niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot, wat door de rechtbank Amsterdam werd bevestigd. De Raad toetste dit oordeel en oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar echtgenoot ieder een eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn.

De Raad overwoog dat de feitelijke omstandigheden, zoals het wekelijks contact, het beheren van de administratie en mantelzorg, wijzen op het ontbreken van duurzaam gescheiden leven. Ook de stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven en de AVG werd verworpen. Daarnaast werd het beroep op discriminatie ten opzichte van ongehuwden in een latrelatie niet gevolgd, gelet op de bijzondere juridische positie van het huwelijk.

Verder oordeelde de Raad dat de verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd van de AOW, zoals geregeld in artikel 7a van de AOW, niet leidt tot een onevenredig zware last voor appellante. Zij had voldoende gelegenheid gehad om zich op deze wijziging voor te bereiden. Tot slot werd een schadevergoeding van €1.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van een AOW-pensioen naar de gehuwdennorm blijft in stand met een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/572 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2022, 21/5843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

SAMENVATTING

Appellante is het niet eens met de hoogte en de ingangsdatum van het toegekende AOWpensioen. Appellante vindt dat zij recht heeft op een pensioen voor een ongehuwde en is het niet eens met verhoging van de pensioenleeftijd en de verschuiving van de aanvangsdatum van de AOW-verzekering. De Raad is het eens met de rechtbank dat appellante geen recht heeft op een hoger of eerder ingaand AOW-pensioen.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante, geboren in 1954, woont in België. Zij heeft in 2019 in België een ouderdomspensioen aangevraagd. Dat is haar ook toegekend met ingang van 29 juli 2019, toen appellante 65 jaar werd. Na een melding op 8 oktober 2020 heeft de Svb met een besluit van 16 juni 2021 aan appellante met ingang van 29 november 2020 een AOW [1] pensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend. Daarop is een korting toegepast van 44% voor 22 niet verzekerde jaren.
1.2.
Tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 22 oktober 2021 gebleven bij de toekenning van een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde met de korting van 44%. Daar heeft de Svb aan ten grondslag gelegd dat appellante vanaf november 2020 niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Dat heeft de Svb in 2018 al eens vastgesteld. Sindsdien zijn de verhoudingen volgens de Svb niet gewijzigd. Appellante treedt nog steeds op als mantelzorger voor haar partner, heeft elke week contact met hem, doet de (financiële) administratie, verzorgt hem bij ziekte, heeft de sleutel van zijn woning en doet in noodgevallen de boodschappen. De korting van 44% op het maximale pensioen is ook terecht. Vanwege de gefaseerde verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is appellante pas per 29 november 1970 begonnen met opbouwen van AOW, en niet per 29 juli 1969, zoals door appellante bepleit. Dit betekent dat zij recht heeft op een AOW-pensioen van 56% van het maximale bedrag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante en haar echtgenoot vanaf 29 november 2020 niet duurzaam gescheiden leven. Volgens de rechtbank is de situatie niet veel veranderd ten opzichte van de situatie in 2018, waarover de Raad oordeelde dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. [2] De verleende hulp is niet wezenlijk gewijzigd. Het feit dat de gezondheid van de echtgenoot achteruit is gegaan, duidt er niet op dat appellante minder hulp zou verlenen. Daarbij maakt het volgens de rechtbank minder uit of de verleende hulp al dan niet mantelzorg wordt genoemd. De artikelen 8, 12 en 14 van het EVRM [3] zijn niet geschonden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning vanaf 29 november 2020 van een AOW-pensioen voor gehuwden in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke regels en verdragsbepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het recht van appellante op AOW-pensioen voor een gehuwde
4.2.
Partijen zijn het erover oneens of appellante vanaf 29 november 2020 recht heeft op een gehuwdenpensioen. Appellante stelt dat zij recht heeft op een ongehuwdenpensioen omdat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot.
4.3.1.
In beginsel heeft appellante, omdat zij gehuwd is, recht op een gehuwdenpensioen. Dat is alleen anders als sprake is van een uitzonderingssituatie: als ongehuwd wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.3.2.
Volgens appellante is sprake van een gewilde verbreking van de huwelijkse samenleving. In die situatie legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  • ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
  • ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
  • ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
4.3.3.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan namelijk bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken. [5]
4.3.4.
Het ligt op de weg van appellante om te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van een uitzonderingssituatie waarin appellante als ongehuwd moet worden aangemerkt omdat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. [6]
4.3.5.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat appellante vanaf 29 november 2020 recht heeft op een gehuwdenpensioen, en niet op een ongehuwdenpensioen, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de banden zodanig beperkt zijn dat zij ieder afzonderlijk een eigen leven leiden alsof zij niet met elkaar zijn gehuwd. Appellante beschikt over de sleutel van de woning van haar echtgenoot en bezoekt hem wekelijks. Zij doet zijn (financiële) administratie en doet in noodgevallen boodschappen voor hem. Zij besteld zijn medicijnen en zet ze voor hem klaar en begeleid hem bij bezoeken aan specialisten. Het gegeven dat appellante haar hulp beschouwt als het louter verlenen van mantelzorg doet niet af aan het feit dat de aard en intensiteit van de contacten met haar echtgenoot maakt dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. De situatie is in zoverre niet veranderd ten opzichte van de situatie in 2018, waarover de Raad al eens heeft geoordeeld dat tussen de echtelieden geen sprake was van duurzaam gescheiden leven.
4.3.6.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven van artikel 8 van Pro het EVRM of de AVG [7] omdat haar is gevraagd naar informatie die zij niet heeft willen of kunnen geven, onder meer over haar testament. Geconstateerd wordt allereerst dat appellante de informatie ook daadwerkelijk niet heeft gegeven en dat de Raad oordeelt op grond van de feiten en omstandigheden die thans wel voorhanden zijn. Reeds om die reden kan van een inbreuk op artikel 8 van Pro het EVRM geen sprake zijn. [8] Voorts is zonder nadere toelichting niet duidelijk in welk opzicht sprake is geweest van een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG.
4.3.7.
Appellante heeft verder gesteld dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van een ongehuwde in een latrelatie waarbij beide partners een eigen woning hebben. De Raad volgt haar daarin niet. In vaste rechtspraak, in navolging van het EHRM [9] , is de verschillende behandeling van gehuwden en ongehuwden in een situatie zoals die van appellante toelaatbaar geacht omdat de situatie van ongehuwd samenwonenden, gelet op de bijzondere band van het huwelijk die sociale, persoonlijke en juridische gevolgen heeft, niet gelijk is aan de situatie van gehuwden. Staten hebben een ruime vrijheid om aan een huwelijk sociaalzekerheidsrechtelijke gevolgen te verbinden. [10]
4.3.8.
Het beroep van appellante op artikel 12 van Pro het EVRM slaagt eveneens niet. Die bepaling waarborgt het recht om te huwen. Daaraan kunnen sociale en juridische gevolgen verbonden zijn; dit grondrecht mag onderworpen worden aan nationale wetten maar het recht om te huwen mag in zijn kern niet worden aangetast. [11] Gesteld noch gebleken is dat dat in het geval van appellante aan de orde is. Voor wat betreft de in haar ogen onterechte verschillen in behandeling wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen.
4.3.9.
Appellante heeft gemeld het niet eens te zijn met de huidige regeling op het gebied van leefvormen en verwezen naar het Eindrapport “Verkenning leefvormen in de AOW.” In reactie daarop wijst de Raad op wat is overwogen in de uitspraak van 23 december 2021. [12] Er is weliswaar bij de wetgever aandacht voor de verschillende leefvormen binnen de AOW maar het door appellante aangehaalde eindrapport heeft niet tot enige standpuntbepaling of voorgenomen wetswijziging geleid. Eerder oordeelde de Raad dat het onder deze omstandigheden niet aan de rechter is om hierop vooruit te lopen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 januari 2026 (24/2395) wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is daarover thans anders te oordelen.
De ingangsdatum van het AOW-pensioen en aanvangsleeftijd van de verzekering
4.4.1.
Appellante is het niet eens met de ingangsdatum van het AOW-pensioen en de verschuiving van de aanvangsleeftijd van de verzekering voor de AOW. Appellante doet een beroep op artikel 1 van Pro het EP [13] en stelt dat zij geen gelegenheid heeft gehad om maatregelen te nemen om de gevolgen op te vangen van verhoging van de pensioenleeftijd en verschuiving van de aanvangsleeftijd.
4.4.2.
Op 1 januari 2013 is artikel 7a van de AOW in werking getreden. De in dit artikel opgenomen wettelijke regeling voorziet in een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw. Over de vraag of toepassing van artikel 7a van de AOW verenigbaar is met het recht op bescherming van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van Pro het EP heeft de Raad bij uitspraak van 25 november 2016 [14] overwogen dat met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daaruit volgende verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw sprake is van een inmenging in een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van Pro het EP. De Raad heeft deze inmenging in het algemeen proportioneel geacht, zodat zij in de regel niet leidt tot een schending van artikel 1 van Pro het EP. Dit neemt niet weg dat toepassing van artikel 7a van de AOW in individuele, concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM en daardoor tot een schending van artikel 1 van Pro het EP. [15]
4.4.3.
Toepassing van artikel 7a van de AOW heeft ertoe geleid dat appellante van 29 juli 2019 tot 29 november 2020 niet in aanmerking kwam voor een AOW pensioen. Verder heeft toepassing van artikel 7a van de AOW ertoe geleid dat voor appellante de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw is verschoven van 29 juli 1969 naar 29 november 1970 en dat de aanvankelijk over 29 juli 1969 tot 29 november 1970 opgebouwde verzekerde tijdvakken niet in het AOW-pensioen zijn gehonoreerd.
4.4.4.
De Raad is het eens met de Svb dat aan de hand van de beschikbare gegevens niet aannemelijk is dat appellante onevenredig zwaar wordt getroffen door onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW. Buiten kijf staat dat de verschuiving van de aanvangsleeftijd financieel nadelig voor appellante uitpakt. Niet aannemelijk is echter dat appellante vanaf de invoering op 1 januari 2013 onvoldoende in de gelegenheid is geweest om maatregelen te nemen om zich op de verandering van de AOW in te stellen. Voorts is een korting van 2% dusdanig gering dat niet kan worden gezegd dat de levensstandaard van appellante in haar individuele geval, op zichzelf bezien, buitensporig wordt aangetast. [16]
4.4.5.
Verder is niet gebleken dat de situatie van appellante tijdens het AOW-gat, ontstaan door de verhoging van de AOW-leeftijd met ruim 16 maanden, dermate schrijnend was dat in haar geval moet worden gesproken van een onevenredig zware last. Van appellante als aanvrager mag worden gevergd dat zij gegevens aanlevert die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de situatie tijdens deze 16 maanden. [17] Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij vanaf de maand waarin zij 65 jaar werd over een particulier pensioen beschikte, bestaande uit een lumpsum uitgekeerd bedrag van € 30.000,- à € 40.000,-. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan toch zou moeten worden aangenomen dat op appellante een onevenredig zware last is komen te liggen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Voor het buiten toepassing laten van artikel 7a van de AOW of anderszins compenserende maatregelen wegens strijd met artikel 1 van Pro het EP is dan ook geen aanleiding.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
Voor de wijze waarop een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn wordt beoordeeld, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009. [18] De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er – op zijn minst – een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. [19] Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. De Raad is het niet eens met appellante dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is begonnen te lopen voordat de Svb haar bezwaarschrift heeft ontvangen, omdat zij al op 5 januari 2021 bij de Svb heeft aangedrongen op het nemen van een beslissing op haar eerdere AOW-aanvraag. Voorafgaand aan het besluit van 16 juni 2021 was nog geen sprake van een standpuntbepaling door de Svb over (de hoogte van) het AOW-pensioen van appellante. De Raad ziet dan ook geen aanknopingspunten om appellante te volgen in haar stelling dat de redelijke termijn eerder is aangevangen.
5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.3.
Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift van betrokkene op 8 juli 2021 tot deze uitspraak zijn vier jaar en bijna acht maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met acht maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
5.4.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb afgerond vijf maanden geduurd. De redelijke termijn is dus in de bezwaarfase niet overschreden. De overschrijding is daarom geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. Dit betekent dat de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1,000,-.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat toekenning vanaf 29 november 2020 van een AOW-pensioen voor een gehuwde in stand blijft.
6. Nu het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor het door haar betaalde griffierecht. Het is verder vaste rechtspraak dat indien een verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen, alleen de proceskosten die samenhangen met het indienen van dat verzoek worden vergoed. [20] Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.V. Lenos als voorzitter en mr. A. Hoogenboom en mr. J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) S. Ploum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip duurzaam gescheiden leven of het begrip verzekerde.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene Ouderdomswet
Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Artikel 7a, eerste lid, eerste volzin
De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn: (…)
in 2020: 66 jaar en vier maanden, respectievelijk 16 jaar en vier maanden; (…).
Artikel 9, eerste lid
Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor:
a. de ongehuwde pensioengerechtigde;
b. de gehuwde pensioengerechtigde.
Artikel 13, eerste lid
Op het bruto-ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van artikel 9, wordt een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, doch vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821.
6.Vergelijk onder meer de uitspraak van de Raad van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:197.
7.Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Algemene Verordening Gegevensbescherming).
9.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
10.Zie onder meer de uitspraken van de Raad van 17 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583 en van 1 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:345. Zie ook EHRM Shackell t. VK,, appl. nr. 45851/99 en EHRM 12 december 2006, Burden and Burden t. VK, appl. nr. 13378/05, r.o. 60 en EHRM 29 april 2008, Burden t. VK, appl. nr. 13378/05, r.o. 63.
11.Zie EHRM 16 mei 1985, F.P.J.M. Kleine Staarman t. Nederland, appl. nr. 10503/83 en recentelijk meer algemeen het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 juni 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:0627JUD002709420 (Nurcan Bayraktar tegen Turkije), r.o. 68 e.v.
13.Eerste Protocol bij het EVRM.
14.Zie de uitspraak van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507.
15.Zie de uitspraak van 18 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2960.
16.Zie de uitspraak van de Raad van 17 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1386.
17.Zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:172.
18.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
19.CRvB 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643
20.Uitspraak van de Raad van 8 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1018.