Uitspraak
19.3607 AOW
25 juli 2019, 18/6922 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft verzocht om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toe te kennen met ingang van de maand waarin hij 65 jaar werd, eerder dan de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd op basis van artikel 7a van de AOW. Hij stelde dat hij geen inkomsten meer had en daardoor onevenredig zwaar werd getroffen door de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat appellant onvoldoende gegevens had verstrekt over zijn financiële situatie om te beoordelen of sprake was van een onevenredig zware last. Appellant maakte bezwaar en stelde in hoger beroep dat hij wel voldoende duidelijkheid had gegeven en dat de strikte toepassing van artikel 7a AOW leidt tot ongerechtvaardigd onderscheid.
De Raad oordeelde dat appellant niet alle benodigde, eenvoudig verifieerbare gegevens had aangeleverd, zoals over zijn financiële positie en pensioenen, waardoor een objectieve beoordeling niet mogelijk was. De Raad bevestigde dat de Svb een deugdelijk individueel feitenonderzoek had verricht en dat appellant onvoldoende had meegewerkt.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om vervroegde toekenning van AOW en schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.