ECLI:NL:CRVB:2025:154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde erfenis en contant geld
Appellante ontving sinds 1995 bijstand, die vanaf 1 januari 2004 is ingetrokken en teruggevorderd door het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch. Dit vanwege het niet melden van een erfenis uit 2002/2003 en contante geldbedragen van ruim €172.000,- die na een brand in haar woning in 2020 werden aangetroffen.
Appellante stelde dat het geld en de erfenis niet van haar waren, maar van haar zoon, en dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geld niet van haar was en dat het college terecht geen dringende redenen heeft aangenomen om terugvordering te matigen.
De Raad benadrukte dat de schending van de inlichtingenverplichting moedwillig en langdurig was en dat de terugvordering proportioneel is in verhouding tot het doel. De eerdere uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd wegens niet gemelde erfenis en contant geld zonder dringende redenen om terugvordering te matigen.