ECLI:NL:CRVB:2014:3897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- M. Hillen
- C. H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht omtrent vermogen
Betrokkene ontving sinds 1992 bijstand en werd onderzocht nadat vermoedens bestonden dat zij niet meer woonde op het uitkeringsadres en vermogen had verzwegen. Het college trok de bijstand in en vorderde ruim €176.000,- terug over een lange periode. De rechtbank stelde vast dat betrokkene vanaf 15 maart 2011 niet meer woonde in de gemeente en dat contant geld in een kluis tot haar vermogen behoorde, maar vond de terugvordering over de hele periode onevenredig en gaf het college gelegenheid dit te herzien.
Het college weigerde de terugvordering te beperken en stelde dat het recht op bijstand over de gehele periode niet vast kon worden gesteld vanwege niet gemeld vermogen. Betrokkene voerde aan dat het geld niet van haar was en dat zij geen beschikking had over de rekeningen van haar zoon. Tevens stelde zij dat het huisbezoek niet volledig geïnformeerd was.
De Raad oordeelde dat betrokkene vrijwillig toestemming gaf voor het huisbezoek inclusief onderzoek van de kluis en dat het contante bedrag van €26.100,- tot haar vermogen moet worden gerekend omdat zij dit niet aannemelijk anders had gemaakt. De overige omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd om schending van de inlichtingenplicht aan te nemen. De Raad beperkte de intrekking en terugvordering tot de periode vanaf 15 maart 2011 gerelateerd aan het contante bedrag minus het vrij te laten vermogen. Het hoger beroep van het college werd afgewezen, dat van betrokkene deels toegewezen. Het besluit werd vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt beperkt tot de periode vanaf 15 maart 2011 gerelateerd aan het niet gemelde contante vermogen.