Betrokkene ontving sinds 2012 bijstand en werd in 2019 door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg uitgenodigd voor een gesprek in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Betrokkene verscheen niet op het eerste gesprek op 19 september 2019, waarop het college het recht op bijstand opschortte en een tweede gesprek op 24 september 2019 inplande. Betrokkene verscheen ook niet op dit tweede gesprek, waarna het college de bijstand introk met terugwerkende kracht vanaf 20 september 2019.
De rechtbank oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de eerste uitnodiging daadwerkelijk was verzonden, waardoor betrokkene pas vanaf 24 september 2019 in verzuim was. Het college had betrokkene een termijn moeten geven om dit verzuim te herstellen, maar had dit nagelaten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken zonder een herstelmogelijkheid te bieden.
De Raad benadrukt dat het opschorten en intrekken van bijstand een dwangmiddel is om medewerking af te dwingen en dat het college eerst duidelijk moet maken welke gegevens ontbreken en de betrokkene de kans moet geven dit te herstellen. Omdat de gevraagde gegevens in dit geval betrekking hadden op een afgesloten periode en niet van belang waren voor het actuele recht op bijstand, was intrekking niet gerechtvaardigd. Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.