ECLI:NL:CRVB:2021:3339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing artikel 44 WAO bij raadslidvergoeding en anticumulatie
Appellant ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering en is sinds 2014 gemeenteraadslid met een raadslidvergoeding. Het UWV heeft de raadslidvergoeding betrokken bij de anticumulatie van de WAO-uitkering op grond van artikel 44 WAO Pro, wat leidde tot een verlaging van zijn uitkering en terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellant stelde dat artikel 44 WAO Pro buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het VN-Gehandicaptenverdrag en dat een deel van de raadslidvergoeding een onkostenvergoeding betreft die niet bij de anticumulatie betrokken mag worden. Ook voerde hij aan dat een uurloonvergelijking had moeten plaatsvinden en dat toepassing van artikel 44 tot Pro een onredelijke uitkomst leidt.
De Raad oordeelt dat artikel 44 WAO Pro niet in strijd is met het discriminatieverbod van het VN-Verdrag en dat de regeling passend is bij het karakter van de WAO als loondervingsverzekering. De raadslidvergoeding wordt als inkomen uit arbeid aangemerkt tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat het om onkostenvergoeding gaat, hetgeen appellant niet heeft gedaan. De door het UWV toegepaste periodeloonvergelijking is passend bij de samenloop van inkomsten uit dienstbetrekking en niet-dienstbetrekking.
De Raad vindt geen bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 44 in Pro de weg staan en ziet geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de raadslidvergoeding terecht wordt betrokken bij de anticumulatie van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.