ECLI:NL:CRVB:2021:1237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van terugvordering WAO-uitkering en onkostenvergoeding volksvertegenwoordiger
Appellant, een WAO-uitkeringsgerechtigde die tevens als volksvertegenwoordiger werkzaam is, kreeg terugvorderingen opgelegd door het UWV wegens vermeend te hoge WAO-uitkeringen. Het geschil betrof of bepaalde belaste onkosten- en reiskostenvergoedingen als loon moeten worden meegeteld bij de berekening van de WAO-uitkering.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen van appellant tegen de terugvorderingsbesluiten ongegrond, met als motivering dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn werkelijke onkosten hoger waren dan het fiscale forfait. Appellant stelde in hoger beroep dat de volledige onkostenvergoeding buiten beschouwing moest blijven vanwege zijn functie als volksvertegenwoordiger en dat correcties op de loonadministratie niet waren verwerkt.
De Raad oordeelde dat artikel 44, eerste lid, van de WAO dwingendrechtelijk is, zodat afwijking alleen bij bijzondere omstandigheden mogelijk is, welke hier niet aanwezig zijn. De Raad bevestigde het oordeel dat de belaste vergoedingen als loon moeten worden beschouwd, maar vernietigde een eerder besluit waarbij niet alle correcties waren meegenomen. Tevens kende de Raad appellant een schadevergoeding toe van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier weken in de rechterlijke procedure.
Uitkomst: Bevestiging terugvordering voor 2015, vernietiging terugvordering voor 2017 met aanpassing en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.