Uitspraak
4. Beëindiging van de door Liechtenstein gestarte dialoog- en bemiddelingsprocedure; afgifte A1-verklaringen door Liechtenstein
10.22. Uit 10.20 en 10.21 volgt dat de Svb ook bij de bestreden besluiten in de zaken 9, 10, 65, 66, 71, 72, 77 en 89 terecht heeft vastgesteld dat over de periodes in geding, voorlopig, de Nederlandse wetgeving van toepassing is op betrokkenen.
12.3. In beroep en in hoger beroep is nagenoeg gelijktijdig en op vergelijkbare gronden rechtsbijstand aan appellanten verleend door dezelfde persoon. Deze zaken worden daarom aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb, zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. De vergoedingen voor de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep worden in deze zaak door de Raad vastgesteld op in totaal € 3.150,-. Hierbij is 1 punt toegekend voor het indienen van het beroep, 1 punt voor het indienen van het hoger beroep en twee maal 1 punt voor het verschijnen ter zitting. In totaal dus 2 punten voor beroep en 2 punten voor hoger beroep, vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken (meer dan 4). Omdat de hoger beroepen slechts slagen op het punt van de berekening van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de Svb voor twee betrokkenen de bestreden besluiten niet volledig heeft gehandhaafd omdat de tijdvakken in geding zijn aangepast, wordt de zwaarte van de zaken gesteld op gemiddeld.
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de bestreden besluiten in de (in bijlage 1 aangeduide) zaken 1, 2, 78 en 90, op de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan [appellant 1] aan en de 36 natuurlijke personen bedoeld in 11.3.3, en op de vergoeding van proceskosten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten in de zaken 1, 2, 78 en 90 gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten in de zaken 1, 2, 78 en 90;
- verklaart in de zaken 3, 4, 79 en 91 de beroepen tegen de besluiten van 28 mei 2020 en 2 juni 2020 ongegrond;
- veroordeelt de Svb tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van in totaal € 9.250,-, waarvan € 250,- is bedoeld voor [appellant 1] en € 250,- is bedoeld voor ieder van de 36 natuurlijke personen bedoeld in 11.3.3;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 3.150,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 519,- vergoedt.
Bijlage 1
[naam schip 4]
[naam schip 5]
[naam schip 1]
[naam schip 6]
[naam schip 24] / Wervelwind
(bij brief van 07-06-2020
ingetrokken)
[naam schip 8]
[naam schip 10]
[naam schip 9]
[naam schip 11]
[naam schip 10]
[naam schip 11]
[naam schip 4]
[naam schip 12]
[naam schip 13]
[naam schip 8]
[naam schip 15]
[naam schip 16]
[naam schip 17]
[naam schip 13]
[naam schip 18]
[naam schip 19]
[naam schip 18]
[naam schip 21]
[naam schip 17]
[naam schip 23]
[naam schip 22]
[naam schip 1]
[naam schip 24]
derde-partij)
[naam schip 25]
[naam schip 14]
[naam schip 17]
derde-partij)
[naam schip 22]
Bijlage 2
2. (…)’
Toepassingsverordening (Verordening (EG) nr. 987/2009)
Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis.