ECLI:NL:HR:2022:610

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
20/04016
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake socialezekerheidswetgeving

Belanghebbenden hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over besluiten van de Sociale Verzekeringsbank betreffende de voorlopige vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

De Hoge Raad heeft het ingediende middel beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet tot vernietiging van de uitspraak kan leiden. Daarbij heeft de Hoge Raad geen motivering gegeven omdat beantwoording van de gestelde vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/04016
Datum22 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X1] AG te [Z1] , Liechtenstein, [X2] te [Z2] , [X3] te [Z3] , [X4] te [Z4] , Duitsland, [X5] te [Z5] , [X6] te [Z6] , [X7] te [Z7] , [X8] te [Z8] , [X9] te [Z9] , [X10] te [Z10] , [X11] te [Z11] , [X12] te [Z12] , [X13] te [Z13] , [X14] te [Z14] , [X15] te [Z14] , [X16] te [Z15] , [X17] te [Z16] , [X18] te [Z17] , [X19] te [Z18] , [X20] te [Z19] , [X21] te [Z20] , [X22] te [Z21] , [X23] te [Z22] , [X24] te [Z23] , [X25] te [Z24] , [X26] te [Z25] , [X27] te [Z26] , de erfgenamen van [X28] , [X29] te [Z27] , [X30] te [Z26] , [X31] te [Z27] , [X32] te [Z13] , [X33] te [Z28] , [X34] te [Z13] , [X35] te [Z5] , [X36] te [Z29] , en [X37] te [Z30] , allen domicilie gekozen te [Z31] (hierna: belanghebbenden)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2020, nr. 19/1107 AOW e.v. [1] , op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 18/2903 e.a.) betreffende besluiten inzake de voorlopige vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, hebben tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat dit middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.