Uitspraak
17.3629 PW, 18/6041 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
aangevochten;
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en huurde een woning waar op 19 januari 2016 een hennepkwekerij met 142 planten werd aangetroffen en ontmanteld. Het college trok de bijstand met ingang van 3 november 2015 in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellant werd strafrechtelijk vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij, maar dit weerlegde niet de bestuursrechtelijke maatregel.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het college onvoldoende had gemotiveerd vanaf wanneer de kwekerij actief was, maar het college leverde aanvullend bewijs. De Raad achtte het aannemelijk dat appellant als huurder verantwoordelijk was en dat de opbrengst aan hem ten goede kwam, mede omdat appellant geen deugdelijke administratie kon overleggen en zijn verblijf in Marokko niet aannemelijk was gemaakt.
De Raad verwierp het beroep op de onschuldpresumptie en het argument dat intrekking en terugvordering een strafrechtelijke sanctie zijn. De intrekking en terugvordering zijn reparatoir van aard. Ook werd het beroep tegen het verrekeningsbesluit afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.