ECLI:NL:CRVB:2018:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boete bij bijstandsontvanger aangepast op grond van draagkracht en verblijf in zorginrichting
Appellante ontving sinds 1977 bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het college een onderzoek waaruit bleek dat appellante en haar ex-echtgenoot vermogen hadden dat niet was gemeld, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten.
Het college legde een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting vaststaat en verwijtbaar is. Wel achtte de Raad de boete te hoog, gelet op de actuele financiële omstandigheden van appellante, die sinds november 2016 bijstand ontvangt in een zorginrichting. Op grond van de norm voor verblijf in een inrichting werd de boete gematigd tot twaalf maal 10% van de norm, zijnde 683,53 euro.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit over de boete, stelde de boete op dit bedrag vast en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €683,53 rekening houdend met de draagkracht en het verblijf in een zorginrichting.