Uitspraak
19 april 2016, 14/3918 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een LFNP-functie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees geen schadevergoeding toe voor overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep stelt appellant uitsluitend een vergoeding te vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep samen.
De Raad oordeelt dat de totale duur van bezwaar en beroep ruim twee jaar en drie maanden bedroeg, waarmee de redelijke termijn met drie maanden werd overschreden. Deze overschrijding is toe te rekenen aan zowel de korpschef als de bestuursrechter. De rechtbank had ambtshalve moeten toetsen of de redelijke termijn was overschreden en een vergoeding moeten toekennen, maar heeft dit nagelaten.
De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin geen schadevergoeding is toegekend en kent alsnog een immateriële schadevergoeding toe van €500,-, waarvan €167,- voor rekening van de korpschef en €333,- voor rekening van de Staat der Nederlanden. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Schadevergoeding van €500,- wegens overschrijding redelijke termijn toegekend, verdeeld tussen korpschef en Staat der Nederlanden.